ECLI:NL:PHR:2002:AE6102

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00103/02 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in klaagschrift teruggave motorfiets na beslag en eigendomsgeschil

Verzoeker diende een klaagschrift in tegen de teruggave van een motorfiets die onder hem in beslag was genomen, nadat een derde partij, betrokkene, aangifte had gedaan van diefstal van die motorfiets. Betrokkene had via een klaagschrift teruggave van de motorfiets aan hem gevorderd, wat door de rechtbank werd toegewezen in een beschikking van 15 maart 2001. Deze beschikking werd onherroepelijk omdat er geen cassatieberoep tegen was ingesteld.

Verzoeker stelde dat hij niet tijdig was opgeroepen voor de behandeling van het klaagschrift van betrokkene, en dat hij daardoor niet goed gehoord was. De Hoge Raad constateerde dat verzoeker de oproeping pas na de zitting ontving en dat de gang van zaken voor verzoeker onbevredigend was, maar dat het beslag op de motorfiets op 29 maart 2001 was geëindigd door de onherroepelijke beschikking.

Omdat verzoeker zijn klaagschrift pas op 26 april 2001 indiende, na het einde van het beslag, verklaarde de rechtbank hem niet-ontvankelijk. De Hoge Raad bevestigde deze beslissing en benadrukte dat de strafrechter niet over eigendomsvraagstukken beslist, maar alleen over het voortduren van beslag en teruggave aan de beslagene of een ander. Verzoeker werd geadviseerd om zijn eigendomsgeschil via de burgerlijke rechter te laten behandelen.

Uitkomst: Verzoeker werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn klaagschrift tot teruggave van de motorfiets omdat het beslag reeds was geëindigd.

Conclusie

Nr. 00103/02 B
Mr Jörg
Zitting 2 juli 2002
Conclusie inzake:
[Verzoeker=klager]
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beschikking van de rechtbank te Breda van 21 september 2001 waarbij verzoeker niet-ontvankelijk is verklaard in zijn beklag strekkende tot teruggave aan hem van een motorfiets.
2. Namens verzoeker heeft mr. H.L.J.M. van Grinsven, advocaat te Tilburg, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Voorafgaand aan de bespreking van het middel wil ik de gang van zaken weergeven zoals deze uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken naar voren komt.
4. Op 2 augustus 1997 doet [betrokkene] bij de Rijkswacht te Leopoldsburg (België) aangifte van diefstal van zijn motorfiets (zie proces-verbaal nr. HA.17.51.101442/97 van de Rijkswacht te Leopoldsburg).
In 1998 (de precieze datum is niet uit de stukken te halen) worden onder meer een aantal motorfietsen in beslag genomen onder verzoeker.
Op 26 september 2000 stuurt [betrokkene] een brief aan de officier van justitie met het verzoek om teruggave van zijn gestolen motorfiets, inbeslaggenomen in de zaak tegen verzoeker met parketnummer 4092-99.
Deze brief werd opgevat als een klaagschrift ex art. 552a Sv. De eerste behandeling ervan vond plaats in openbare raadkamer van 1 december 2000. De zaak werd aangehouden, omdat verzoeker niet was opgeroepen.
Onder de stukken bevindt zich een oproeping gericht aan verzoeker voor de behandeling van het klaagschrift van [betrokkene] op 23 februari 2001. Deze oproeping is gedateerd 19 januari 2001. Op de oproeping bevindt zich echter een geel memovelletje met de volgende teksten: "GBA aangevr. 09/2 01", "Hans, dient [klager] ook op 23-02-01 te verschijnen? Cees 09/2 01", en "Ja, ook oproepen [klager] 12/2". Hieruit volgt m.i. dat op 12 februari 2001 de oproeping in ieder geval nog niet verstuurd was naar verzoeker.
Op 23 februari 2001 vindt de behandeling plaats van het klaagschrift van [betrokkene], welke resulteert in de beschikking van 15 maart 2001, waarbij het klaagschrift van [betrokkene] gegrond wordt verklaard en de teruggave van de motorfiets aan hem wordt gelast.
Onder de stukken bevindt zich echter een brief van verzoeker van 27 februari 2001 gericht aan de heer Schaffels, zijnde de griffier bij de behandeling van het klaagschrift van [betrokkene], inhoudende -zakelijk weergegeven- dat verzoeker de oproeping voor de behandeling op 23 februari om 10.30 uur pas 's middags rond 14.30 uur in handen kreeg. Hij was een paar dagen naar Zweden geweest en haalde toen zijn post op bij de buren. Bijgevoegd is een overzicht van een vluchtarrangement op zijn naam. Hij laat weten bezwaar te maken tegen teruggave van onder hem inbeslaggenomen goederen aan een ander.
Gelet op het notitieblaadje op de oproeping en de inhoud van de brief van verzoeker van 27 februari 2001 is de overweging van de rechter in de beschikking van 15 maart 2001 - welke beschikking overigens in cassatie niet aan de orde is - inhoudende "De belanghebbende, [klager], is overeenkomstig artikel 552a lid 4 van het wetboek van strafvordering in de gelegenheid gesteld te worden gehoord" vanuit feitelijk oogpunt niet geheel begrijpelijk.
Ik kan mij, gelet op het bovenstaande, goed voorstellen dat de gang van zaken erg onbevredigend is voor verzoeker; en dat hij door middel van een eigen klaagschrift poogt om nog gehoord te worden.
5. De beschikking van 15 maart 2001 is echter inmiddels onherroepelijk. Nu er geen cassatieberoep is ingesteld is de beschikking houdende gegrondverklaring van het klaagschrift van [betrokkene] alsmede een last tot teruggave aan [betrokkene] van de motor op 29 maart 2001 onherroepelijk geworden. Het beslag is derhalve op die datum geëindigd (vgl. Handboek strafzaken, deel 2, p. [77.4]-2).
6. Verzoeker heeft zijn klaagschrift op 26 april 2001 ingediend, op een tijdstip dat het beslag reeds geëindigd was. De rechtbank heeft verzoeker derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag.
Op deze grond faalt tevens het middel.
7. Een en ander staat uiteraard niet in de weg aan een poging van verzoeker om de motorfiets te revindiceren via de burgerlijke rechter. De strafrechter beslist namelijk niet over de vraag wiens eigendom dat is; wel over het al dan niet voortduren van een beslag en over de teruggave ervan aan de beslagene, dan wel aan een ander.
8. Deze conclusie strekt ertoe dat het beroep verworpen wordt.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG