ECLI:NL:HR:2002:AE5150

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C01/286HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • J.B. Fleers
  • D.H. Beukenhorst
  • P.C. Kop
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt onrechtmatigheid weigering bank tot overmaking faillissementsrekening

In deze zaak vorderde de eiseres, een bank, dat de rechtbank zou verklaren dat haar weigering om het saldo van een rekening over te maken naar een faillissementsrekening onrechtmatig was jegens de verweerder. De rechtbank wees deze vordering af. De verweerder stelde hoger beroep in en wijzigde zijn eis, waarbij hij schadevergoeding vorderde wegens wanprestatie van de bank. Het Gerechtshof vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de bank tot vergoeding van de door de verweerder geleden schade, deels op te maken bij staat.

De bank stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden, mede omdat deze geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriepen. De Hoge Raad verwierp het beroep van de bank en bevestigde daarmee het oordeel van het hof.

De Hoge Raad veroordeelde de bank tevens in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee blijft de aansprakelijkheid van de bank voor de wanprestatie en de daaruit voortvloeiende schadevergoeding in stand. De uitspraak onderstreept het belang van correcte afhandeling van banktransacties in faillissementssituaties.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de bank en bevestigt haar aansprakelijkheid voor de wanprestatie en schadevergoeding.

Uitspraak

27 september 2002
Eerste Kamer
Nr. C01/286HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
ABN AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. J. Wuisman,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 22 april 1996 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de Bank - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd te verklaren voor recht dat de weigering van de Bank om op of omstreeks 8 december 1992 het saldo van rekening [001] over te maken naar de faillissementsrekening bij de Kas-Associatie onrechtmatig is geweest jegens [verweerder].
De Bank heeft bij verzoekschrift van 16 augustus 1996 verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. De Rechtbank heeft dit verzoek gehonoreerd. De getuigenverhoren hebben plaatsgevonden op 4 oktober 1996 en 19 november 1996.
Vervolgens heeft de Bank de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 12 april 2000 het gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. In hoger beroep heeft [verweerder] zijn eis gewijzigd en aldus gevorderd, kort gezegd, het vonnis waarvan beroep te vernietigen en, alsnog, te verklaren voor recht zoals reeds in eerste aanleg gevorderd en de Bank te veroordelen in de door [verweerder] geleden schade, nader op te maken bij staat dan wel door het Hof vast te stellen.
De Bank heeft zich verzet tegen een gedeelte van de vermeerdering van eis en van haar kant voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld.
Bij arrest van 12 april 2000 heeft het Hof het incidentele appel verworpen, op het principale appel het vonnis waarvan beroep vernietigd en voorts de Bank veroordeeld om aan [verweerder] te vergoeden de schade die deze heeft geleden als gevolg van de ten processe vastgestelde wanprestatie van de Bank, respectievelijk voor de helft en voor 40% (zoals onder rov. 5.40 samengevat), op te maken bij staat. Het meer of anders gevorderde heeft het Hof afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de Bank beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van de Bank heeft bij brief van 27 juni 2002 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de Bank in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 27 september 2002.