ECLI:NL:HR:2002:AE4726

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
37062
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.C. van Oven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit Staatssecretaris van 30 januari 2001, nr. CPP2000/1835
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vernietiging naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wegens vergissing kentekenhouder

Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd voor een bestelauto over de periode van 9 september 1998 tot 8 maart 2000. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, maar het Hof vernietigde deze uitspraak en de naheffingsaanslag. De Staatssecretaris van Financiën stelde daarop cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof Amsterdam.

Het Hof had geoordeeld dat belanghebbende niet wist dat het voertuig een personenauto was en dat er geen aanwijzingen waren dat hij bewust van de inrichtingseisen voor bestelauto's wilde afwijken. Het Hof baseerde zich op een besluit van de Staatssecretaris waarin werd goedgekeurd dat geen naheffingsaanslag wordt opgelegd als de kentekenhouder aannemelijk maakt dat hij zich vergist heeft over de inrichtingseisen.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof het bewijsrecht en de feiten juist heeft toegepast en dat het oordeel dat geen sprake was van bewust afwijken van de inrichtingseisen niet onbegrijpelijk is. De aanwezigheid van een valse dakverhoging werd niet als voldoende aanwijzing gezien. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt ongegrond verklaard. Er worden geen proceskosten aan de Staat opgelegd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en de vernietiging van de naheffingsaanslag door het Hof bevestigd.

Uitspraak

Nr. 37.062
28 juni 2002
PdM
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 maart 2001, nr. P00/01810, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting.
1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het motorrijtuig met kenteken AA-00-AA een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, berekend over het tijdvak 9 september 1998 tot en met 8 maart 2000, ten bedrage van ƒ 4164. De naheffingsaanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft de in geding zijnde naheffingsaanslag bezien in het licht van het Besluit van de Staatssecretaris van 30 januari 2001, nr. CPP2000/1835, V-N 2001/11.27 (hierna: het Besluit), waarin wordt goedgekeurd - kort gezegd - dat vooralsnog geen naheffingsaanslag wordt opgelegd indien de kentekenhouder aannemelijk maakt dat hij zich heeft vergist over de juiste uitleg van de voor bestelauto's geldende inrichtingseisen. Van zich vergissen in de hiervoor bedoelde zin is volgens het Besluit geen sprake indien een of meer van de inrichtingseisen voor bestelauto's afwijkende aanpassingen zijn aangebracht die, gezien de aard en omvang ervan, tot de conclusie dwingen dat de kentekenhouder bewust van die inrichtingseisen heeft willen afwijken.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet wist dat de betrokken auto een personenauto was, en geen aanwijzing aanwezig geoordeeld die er op zou duiden dat belanghebbende kennis had van de wettelijke eisen die het verschil markeren tussen een personenauto en een bestelauto.
3.3. Voorzover het middel strekt ten betoge dat het Hof heeft miskend dat het Besluit niet ertoe strekt een algehele onwetendheid betreffende de vigerende regelgeving te pardonneren, faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft immers in die zin niet geoordeeld, noch overwogen dat bij belanghebbende iedere kennis omtrent de relevante regelgeving ontbrak.
3.4. Het middel faalt eveneens voorzover het opkomt tegen 's Hofs kennelijke oordeel dat er geen aanwijzing is die tot de conclusie dwingt dat belanghebbende bewust van de inrichtingseisen heeft willen afwijken. De aanwezigheid van een "valse" dakverhoging is door het Hof niet als een zodanige aanwijzing beschouwd. Dit oordeel kan als van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Anders dan het middel aanvoert, sluit de omstandigheid dat ingrijpende herstelwerkzaamheden nodig zijn om een bepaalde auto te doen voldoen aan de inrichtingseisen voor bestelauto's, op zich zelf niet uit dat sprake kan zijn van een vergissing in de zin van het Besluit.
3.5. In het middel wordt met juistheid betoogd dat het aan de kentekenhouder is aannemelijk te maken dat hij zich heeft vergist in vorenbedoelde zin. Het Hof heeft dit evenwel niet miskend. Het door belanghebbende te leveren bewijs kon het Hof ook geleverd achten op andere wijze dan door mondelinge verklaringen van belanghebbende ter zitting van het Hof, met name op grond van uitlatingen van belanghebbende in de gedingstukken.
3.6. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2002.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 327.