ECLI:NL:HR:2002:AE4548

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R02/019HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • A.G. Pos
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 FaillissementswetArt. 329 FaillissementswetArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping van cassatie tegen beëindiging schuldsanering en faillissementsaanwijzing

De zaak betreft een verzoeker die in eerste aanleg door de Rechtbank Utrecht werd geconfronteerd met een tussentijdse beëindiging van zijn schuldsanering op grond van artikel 350 lid 3 sub Pro c, d en e van de Faillissementswet. Tevens werd in het faillissement van verzoeker een rechter-commissaris en curator benoemd.

Tegen dit vonnis stelde verzoeker hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam, dat het vonnis op 26 februari 2002 bekrachtigde. Vervolgens richtte verzoeker zich tot de Hoge Raad met een beroep in cassatie tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad oordeelt dat de aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat geen nadere motivering vereist is omdat de klachten geen rechtsvragen bevatten die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep wordt derhalve verworpen.

Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2002.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.

Uitspraak

12 juli 2002
Eerste Kamer
Rek.nr. R02/019HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. R.G.E. de Vries.
1. Het geding in feitelijke instanties
Op verzoek van de bewindvoerder, mr. L.C. de Jong, heeft de Rechtbank te Utrecht bij vonnis van 29 januari 2002 de toepassing van de schuldsanering van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: verzoeker, tussentijds beëindigd, zulks op de gronden als bedoeld in art. 350 lid Pro 3, sub c, d en e F., en in het faillissement van verzoeker een rechter-commissaris en een curator benoemd.
Tegen dit vonnis heeft verzoeker hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 26 februari 2002 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Verzoeker heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers en A.G. Pos, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 juli 2002.