ECLI:NL:HR:2002:AE4156

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01063/01
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • G.J.M. Corstens
  • B.C. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 6 EVRMArt. 366 SvArt. 435, eerste lid, SvArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 9 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens geen overschrijding redelijke termijn in opiumwetzaak

De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf voor opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet. Het vonnis van de rechtbank Amsterdam werd vernietigd. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.

Een belangrijk punt in cassatie was de vermeende overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De Hoge Raad overwoog dat de verdachte niet in de gemeentelijke basisadministratie was ingeschreven en geen woon- of verblijfplaats in Nederland had. Het Openbaar Ministerie had binnen negen maanden na het arrest verzocht om opname van de verdachte in het opsporingsregister.

De Hoge Raad concludeerde dat de vertraging niet aan het Openbaar Ministerie kon worden toegerekend en dat er geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn. Geen van de middelen kon tot cassatie leiden, en het beroep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot 21 maanden gevangenisstraf blijft gehandhaafd.

Uitspraak

24 september 2002
Strafkamer
nr. 01063/01
PB/AB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 3 november 1998, nummer 23/002081-96, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Ierland) op [geboortedatum] 1961, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 27 maart 1996 - de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C (de Hoge Raad leest: van de Opiumwet) gegeven verbod" veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste, het derde, het vierde, het vijfde en het zesde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
4.2. De stukken van het geding houden, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) het bestreden arrest dateert van 3 november 1998;
(ii) op 22 februari 1999 heeft de Procureur-Generaal bij het Hof bij het Bureau Vestigingsregister te Den Haag inlichtingen ingewonnen;
(iii) het Bureau Vestigingsregister heeft op 26 februari 1999 geantwoord dat de verdachte niet bekend is;
(iv) op 27 juli 1999 is door het Openbaar Ministerie verzocht de verdachte ter signalering op te nemen in het opsporingsregister;
(v) op 27 april 2001 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld;
(vi) het overzicht van de gemeentelijke basisadministratie van 27 september 2001 ten behoeve van de betekening van de aanzegging als bedoeld in at. 435, eerste lid, Sv houdt in dat de verdachte niet in Nederland ingeschreven heeft gestaan.
4.3. Van overschrijding van de redelijke termijn kan sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv Pro een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.19). In datzelfde arrest is aangegeven wanneer van de hier bedoelde vertraging in elk geval geen sprake is.
4.4. Niet kan worden gezegd dat de vertraging die is opgetreden vanaf de datum waarop de bestreden uitspraak is uitgesproken valt toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie, in aanmerking genomen dat de verdachte op geen enkel moment ingeschreven is geweest in de basisadministratie persoonsgegevens van enige gemeente in Nederland, dat van de verdachte evenmin een woon- of verblijfplaats bekend was en dat het Openbaar Ministerie binnen negen maanden na de datum van de bestreden uitspraak een verzoek heeft gedaan om over te gaan tot opneming van de verdachte in het opsporingsregister.
4.5. Het middel faalt dus.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 24 september 2002.