ECLI:NL:HR:2002:AE3572
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen veroordeling voor overtreding dierenzorg
De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof te 's-Gravenhage vrijgesproken van het primaire tenlastegelegde misdrijf, maar veroordeeld voor een subsidiaire overtreding: het niet voldoende zorgdragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier. Deze veroordeling betrof een geldboete van ƒ 250,--, subsidiair vijf dagen hechtenis.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze veroordeling. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep aan de hand van artikel 68 (oud) van de Wet op de rechterlijke organisatie, dat stelt dat cassatieberoep tegen een arrest van een gerechtshof inzake overtredingen niet openstaat indien de opgelegde straf of maatregel niet verder gaat dan een geldboete tot maximaal vijfhonderd gulden, tenzij het gaat om overtredingen van bepaalde verordeningen.
Omdat de opgelegde geldboete in deze zaak ƒ 250,-- bedroeg en geen andere straf of maatregel werd opgelegd, oordeelde de Hoge Raad dat het cassatieberoep niet ontvankelijk kon worden verklaard. De Hoge Raad verklaarde daarom het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk.
Deze beslissing werd genomen door de Strafkamer van de Hoge Raad op 25 juni 2002, waarbij de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter en vier raadsheren het arrest hebben gewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep tegen de veroordeling voor overtreding dierenzorg.