ECLI:NL:HR:2002:AE0118

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00937/01
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 344 SvWet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt vonnis wegens onvoldoende motivering bij verzekeringsplicht motorrijtuig

De zaak betreft een verdachte die op 19 januari 1997 te Nieuwegein als bestuurder van een personenauto zonder geldige verzekering op een openbare weg reed. De Rechtbank Utrecht heeft de verdachte veroordeeld tot een geldboete en een ontzegging van de rijbevoegdheid.

In cassatie heeft de verdachte geen middelen voorgesteld, maar de Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en terugwijzing naar de Rechtbank. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bewijs dat er geen verzekering was, zwaarder woog dan het door de verdachte overgelegde bewijs dat er wel een verzekering bestond.

De Hoge Raad benadrukt dat het aan de feitenrechter is om te bepalen welk bewijs hij betrouwbaar acht, maar dat dit in dit geval nader gemotiveerd had moeten worden vanwege het ernstige vermoeden dat er wel een verzekering was. Daarom wordt het vonnis vernietigd en wordt de zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling in hoger beroep.

Uitkomst: Het vonnis van de Rechtbank Utrecht wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

16 april 2002
Strafkamer
nr. 00937/01
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 2 maart 2000, nummer 16/154344-97, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Somalia) op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats 1].
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te Utrecht van 18 februari 1999 - de verdachte ter zake van "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden" veroordeeld tot een geldboete van ƒ. 915,--, subsidiair achttien dagen hechtenis met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Door of namens deze zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank te Utrecht teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
3.1.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard "dat hij op 19 januari 1997 te Nieuwegein als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gekentekend [AA-00-AA], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Nijverheidseweg, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden."
3.1.2. Ten aanzien van de bewijsvoering houdt het bestreden vonnis, voorzover hier van belang, het volgende in:
"1. Een ambtsedig proces-verbaal van de politie Regio Utrecht (...) d.d. 25 maart 1997, opgemaakt door F.J. Boersma, Brigadier van politie (...), voorzover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant:
Op 19 januari 1997 zag ik dat op de Nijverheidseweg te Nieuwegein een bestuurder, die na staandehouding bleek te zijn: [verdachte], van een personenauto, gekentekend [AA-00-AA], zonder dat er voor dat voertuig [een verzekering] overeenkomstig de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen was afgesloten of instand was gehouden, met deze auto op een weg heeft gereden.
2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een fotokopie van - kennelijk - een computeruitdraai van de Rijksdienst voor het Wegverkeer, waarin wordt vermeld dat de startdatum van de verzekering van de auto met kenteken [AA-00-AA] is: 27-01-1997."
3.2. Bij de stukken van het geding bevindt zich een klaarblijkelijk ter terechtzitting in eerste aanleg door de verdachte overgelegde kopie van een schriftelijke verklaring van Zwolsche Algemeene Schadeverzekering N.V. van 23 januari 1997. Deze verklaring houdt - voorzover hier van belang - het volgende in:
"Pakketpolis autoverzekering
(...)
Reden afgifteProlongatie
Ingangsdatum23-12-1996
Einddatum23-12-1997
(...)
Verzekerd objectMerkMazda
(...)
Kenteken[AA-00-AA]
(...)
Verzekerd risico Wettelijke aansprakelijkheid."
3.3. In beginsel is het voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare bewijsmateriaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht.
Deze beslissing behoeft geen motivering, behoudens in bijzondere gevallen.
3.4. De inhoud van het hiervoren onder 3.2 weergegeven geschrift geeft grond aan het ernstige vermoeden dat ten tijde van het bewezenverklaarde feit voor het onderhavige motorrijtuig een verzekering als bedoeld in de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was afgesloten. Daarom had de Rechtbank in bedoelde verklaring aanleiding moeten zien de bewezenverklaring nader te motiveren. De bestreden uitspraak is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
4. Slotsom
Uit het hiervoor overwogene volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en terugwijzing moet volgen.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de Rechtbank te Utrecht opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 16 april 2002.