ECLI:NL:HR:2002:AD9349
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid moeder in cassatie tegen toezichtstelling minderjarige
De zaak betreft een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om een minderjarig kind voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van een gezinsvoogdij-instelling. De Rechtbank Leeuwarden heeft dit verzoek op 10 januari 2001 toegewezen en de Stichting Jeugdbescherming Friesland als toezichthouder aangewezen. De moeder van het kind stelde hiertegen hoger beroep in bij het Gerechtshof te Leeuwarden, dat de beschikking van de rechtbank op 15 augustus 2001 bekrachtigde.
De moeder stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen de beschikking van het hof. De Raad voor de Kinderbescherming en de Stichting Jeugdbescherming Friesland verschenen niet in cassatie. De Advocaat-Generaal adviseerde de moeder niet-ontvankelijk te verklaren omdat de toezichtperiode inmiddels was verstreken, waardoor zij geen belang meer had bij het beroep.
De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde de moeder niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep. Hiermee werd bevestigd dat het ontbreken van belang bij het beroep leidt tot niet-ontvankelijkheid, waarmee het cassatieberoep werd afgewezen.
Uitkomst: De moeder werd niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens het ontbreken van belang na het verstrijken van de toezichtperiode.