ECLI:NL:HR:2002:AD5368
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A.J.A. van Dorst
- E.J. Numann
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep inzake ontneming wederrechtelijk voordeel bij cocaïnehandel
Betrokkene werd in hoger beroep door het Hof Amsterdam veroordeeld tot betaling van een bedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, subsidiar 72 maanden hechtenis, wegens medeplegen van het vervoer en bezit van circa acht kilogram cocaïne. Betrokkene stelde in cassatie dat voor toepassing van artikel 36e, derde lid, Wetboek van Strafrecht vereist is dat het strafbare feit zelf voordeel heeft opgeleverd, hetgeen volgens hem niet het geval was.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 36e, derde lid, Sr niet vereist dat het wederrechtelijk verkregen voordeel direct uit het feit waarvoor betrokkene is veroordeeld voortvloeit. Het kan ook betrekking hebben op andere strafbare feiten die leiden tot het voordeel. Het hof had terecht geoordeeld dat betrokkene medepleegde in het vervoer en bezit van cocaïne en dat dit voldoende basis bood voor de ontnemingsvordering.
Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen. De Hoge Raad bevestigt hiermee de mogelijkheid tot ontneming van voordeel ook zonder direct verband met het feit waarvoor de betrokkene is veroordeeld, mits aannemelijk is dat andere strafbare feiten hebben geleid tot het voordeel.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt bevestigd.