ECLI:NL:HR:2001:ZD2606
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring OM wegens overschrijding redelijke termijn in herbeplantingszaak
De zaak betreft een strafrechtelijke procedure tegen bestuurders van een rechtspersoon die in gebreke bleef met de herbeplantingsplicht van meerdere percelen grond, zoals voorgeschreven in artikel 3 van Pro de Boswet. Na eerdere vrijspraak in 1982 en een administratiefrechtelijke procedure, startte het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek dat uiteindelijk leidde tot dagvaarding van de bestuurders.
De rechtbank veroordeelde de bestuurders, maar in hoger beroep verklaarde het Gerechtshof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Het Hof stelde het beginpunt van de redelijke termijn op 1 mei 1992, de datum waarop de termijn in de aanmaningsbrieven van de Officier van Justitie afliep.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. De Hoge Raad overweegt dat het Hof voldoende heeft gemotiveerd waarom 1 mei 1992 als aanvangstijdstip geldt, ook voor percelen die niet expliciet in de brieven genoemd werden, en dat de overschrijding van de redelijke termijn in dit geval tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM leidt. Nieuwe feiten die in cassatie werden ingebracht, konden niet worden meegewogen. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 19 juni 2001.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn.