ECLI:NL:HR:2001:AD7164
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt berekening omzetbelasting op basis van werkelijk gebruik sportcentrum
Belanghebbende exploiteert een multifunctioneel sportcentrum waarin zowel vrijgestelde sportprestaties als belaste horecaprestaties plaatsvinden. Over het tijdvak 1992-1995 werd een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd die belanghebbende betwistte. De Inspecteur stelde dat de aftrek van omzetbelasting moest worden berekend op basis van de verhouding van de voor belaste prestaties gebruikte vierkante meters ten opzichte van de totale oppervlakte van het sportcentrum.
Het Hof oordeelde dat de door de Inspecteur gehanteerde oppervlakten juist waren en dat de omzetverhoudingen niet overeenkwamen met het werkelijke gebruik van het gehuurde sportcentrum en de geleverde energie. Het Hof achtte daarom de berekening van de voorbelasting op basis van het werkelijke gebruik, conform artikel 11, lid 2, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968, juist.
Belanghebbende stelde in cassatie onder meer dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de oppervlakte als criterium werd gehanteerd en dat het Hof voorbij was gegaan aan het feit dat in sommige ruimten zowel belaste als vrijgestelde prestaties werden verricht. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat het Hof terecht had geoordeeld dat de omzetverhoudingen niet overeenkwamen met het werkelijke gebruik en dat de werkelijke gebruiksmethode de betere benadering was.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft de naheffingsaanslag en de wijze van berekening van de omzetbelastingaftrek ongewijzigd in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag omzetbelasting op basis van werkelijk gebruik bevestigd.