ECLI:NL:HR:2001:AD6427

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 november 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
36713
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J. Zuurmond
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • J.C. van Oven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 1 sub i Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beperking aftrek werknemersopties in vennootschapsbelasting conform artikel 9 lid 1 sub i Wet Vpb 1969

Belanghebbende, een beursgenoteerde vennootschap, had in 1995 werknemersopties toegekend met een uitoefenprijs gelijk aan de beurskoers. Bij het personeel was een bedrag van f 142.830 als loon in aanmerking genomen, terwijl de werkelijke waarde van de optierechten f 525.918 bedroeg. De Inspecteur legde een aanslag vennootschapsbelasting op gebaseerd op een belastbaar bedrag van f 353.693.

Na bezwaar en beroep bij het Hof werd het beroep ongegrond verklaard. Het Hof oordeelde dat artikel 9 lid 1 sub i van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 niet toestaat dat de vennootschap een hoger bedrag in aftrek brengt dan het bedrag dat bij het personeel als loon is belast.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het middel van belanghebbende dat een andere uitleg van de wet mogelijk zou zijn. De Hoge Raad stelde dat het waarderingsvoorschrift in artikel 9 lid 1 sub i duidelijk Pro en niet voor meerdere uitleg vatbaar is. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het arrest werd uitgesproken op 30 november 2001.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de beperking van aftrek conform artikel 9 lid 1 sub i Wet Vpb 1969 wordt bevestigd.

Uitspraak

Nr. 36.713
30 november 2001
FA
gewezen op het beroep in cassatie van X N.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 24 oktober 2000, nr. P99/3038, betreffende na te melden aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van f 353.693, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Belanghebbende, een beursgenoteerde vennootschap, heeft in 1995 aan bij haar in dienst zijnde werknemers opties toegekend op uit te geven gewone aandelen in de eigen vennootschap, met een uitoefenprijs gelijk aan de beurskoers ten tijde van de toekenning. Te dier zake is bij het personeel van belanghebbende f 142.830 als loon in aanmerking genomen, welk bedrag gelijk is aan 7,5% van de waarde van een met de optierechten overeenkomende hoeveelheid aandelen in belanghebbende op het moment van toekenning. De werkelijke waarde van de optierechten op het moment van toekenning daarvan bedroeg f 525.918.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 9, lid 1, aanhef en letter i, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 1995) verhindert dat ter zake van de toekenning van de werknemersopties bij belanghebbende een hoger bedrag in aftrek wordt gebracht dan bij het personeel te dier zake in aanmerking is genomen. Tegen dit oordeel keert zich het middel. Het wordt echter tevergeefs voorgesteld. De tekst van artikel 9, lid 1, letter i, houdt een niet voor tweeërlei uitleg vatbaar waarderingsvoorschrift in voor de in aanmerking te nemen aftrek. Dit voorschrift zou zinloos zijn indien zou worden aangenomen, zoals belanghebbende bepleit, dat op grond van de aanhef van artikel 9, lid 1, ter zake van de toekenning van de optierechten mede een ander bedrag in aftrek kan worden gebracht.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier W.G. Heesakkers-Kamerbeek, en in het openbaar uitgesproken op 30 november 2001.