ECLI:NL:HR:2001:AD6166
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid in uitleveringsverzoek wegens onvindbaarheid opgeëiste persoon
De zaak betreft een verzoek van de Duitse deelstaat Bayern tot uitlevering van een persoon geboren in Duitsland, die in Nederland verblijft zonder bekende verblijfplaats. De Rechtbank te Roermond had eerder de uitlevering toelaatbaar verklaard, maar de Hoge Raad vernietigde dit en beval oproeping van de opgeëiste persoon voor zitting.
Bij zittingen op 9 en 13 november 2001 verscheen de opgeëiste persoon niet, noch zijn raadsman. Onderzoek toonde aan dat de persoon niet op bekende adressen was aangetroffen en uit de Gemeentelijke Basisadministratie bleek dat hij was uitgeschreven met vermelding van vertrek naar een onbekend land.
De Advocaat-Generaal stelde dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk verklaard moest worden in de vordering tot behandeling van het uitleveringsverzoek. De Hoge Raad oordeelde dat vanwege de onvindbaarheid van de opgeëiste persoon niet kan worden onderzocht of het verzoek ontvankelijk is en verklaarde de Officier van Justitie niet-ontvankelijk.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk wegens onvindbaarheid van de opgeëiste persoon.