ECLI:NL:PHR:2001:AD6166
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid uitleveringsverzoek wegens onvindbaarheid opgeëiste persoon
De Bondsrepubliek Duitsland verzocht de uitlevering van een persoon ter vervolging wegens drugshandel. De opgeëiste persoon was echter niet verschenen op de zitting van de Hoge Raad en bleek onvindbaar te zijn, ondanks pogingen om hem op bekende adressen te dagvaarden. Uit het Gemeentelijke Basisadministratie-overzicht bleek dat hij was vertrokken naar een onbekend land.
De Hoge Raad oordeelde dat in een dergelijk geval, waarin de opgeëiste persoon niet kan worden opgeroepen en vermoedelijk niet in Nederland verblijft, het verzoek tot uitlevering niet in behandeling kan worden genomen. De officier van justitie werd daarom niet ontvankelijk verklaard in zijn vordering.
Het uitleveringsverzoek betrof strafbare feiten die naar Duits en Nederlands recht overeenkomen, en er waren geen verplichte gronden voor weigering. Desondanks kon het proces niet worden voortgezet vanwege het ontbreken van de aanwezigheid van de opgeëiste persoon.
De zaak benadrukt het belang van het kunnen oproepen van de verdachte voor een correcte behandeling van uitleveringsverzoeken en bevestigt eerdere jurisprudentie over onvindbaarheid als grond voor niet-ontvankelijkheid.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet ontvankelijk verklaard in het uitleveringsverzoek wegens onvindbaarheid van de opgeëiste persoon.