ECLI:NL:HR:2001:AB2904
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart verdachte niet-ontvankelijk in cassatieberoep wegens niet-indienen middelen
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin hij was veroordeeld voor medeplegen van een overtreding van de Opiumwet. Het hof had de verdachte veroordeeld tot twee jaar en zes maanden gevangenisstraf, na vernietiging van het vonnis van de Arrondissementsrechtbank Haarlem.
In cassatie heeft de verdachte geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn door een raadsman, zoals vereist volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor is het beroep niet ontvankelijk verklaard.
De Advocaat-Generaal had reeds geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring. De Hoge Raad bevestigde dit en wees het beroep af. Het arrest is gewezen door de vice-president Bleichrodt en raadsheren Koster en Balkema op 2 oktober 2001.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.