ECLI:NL:HR:2001:AA9400
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- A.E. de Moor
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over economische eigendom aandelen voor fiscale eenheid
Belanghebbende kreeg voor het boekjaar 1992/1993 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, welke na bezwaar en beroep bij het hof werd bevestigd. De kern van het geschil betrof het tijdstip waarop de economische eigendom van aandelen was overgedragen aan D B.V., en of daarmee voldaan was aan de voorwaarden voor fiscale eenheid volgens artikel 15 van Pro de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Het hof oordeelde dat D B.V. op 1 september 1992 om 00.00 uur in economische eigendom van de aandelen was, maar dat de juridische eigendom toen nog niet was overgedragen, waardoor niet aan de bezitseis voor fiscale eenheid was voldaan. De Hoge Raad stelt dat het onderscheid tussen economische en juridische eigendom in dit geval niet doorslaggevend is, omdat partijen niet de bedoeling hadden dat tussen koopovereenkomst en juridische levering een periode zou liggen die anders werd benut dan voor het afwikkelen van de koop.
Daarom moet het tijdstip van overdracht van de economische eigendom worden beschouwd als het moment waarop D B.V. de aandelen bezit in de zin van artikel 15. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling met inachtneming van dit arrest. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten van cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van het tijdstip van economische eigendom en fiscale eenheid.