ECLI:NL:HR:2000:AA6120
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- A.E. de Moor
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt berekeningswijze aftrek omzetbelasting bij gemengd gebruik vastgoedcomplex
Belanghebbende, een institutionele belegger in onroerend goed, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode december 1991 tot en met december 1992. Na bezwaar werd de aanslag verminderd, maar het Hof verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende stelde in cassatie dat de aftrek van omzetbelasting niet op basis van kubieke meters moest worden berekend, maar op de subjectieve kostprijs die hij hanteerde in de koop-aannemingsovereenkomst.
Het Hof oordeelde dat het werkelijke gebruik van het complex, dat bestaat uit zowel belaste kantoor- en winkelruimten als vrijgestelde woningen, adequaat kan worden bepaald aan de hand van de verhuurde ruimten uitgedrukt in kubieke meters. Dit leidt tot een niet-aftrekbaar gedeelte van ongeveer 4,8%, wat in lijn is met de bouwkosten en taxaties. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af, omdat het Hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en feitelijke waarderingen niet in cassatie kunnen worden getoetst.
De Hoge Raad benadrukt dat de berekening van de aftrek moet geschieden naar het werkelijke gebruik van het goed, conform de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. De subjectieve kostprijs die belanghebbende hanteert, is geen juiste grondslag voor de aftrek. Er is geen aanleiding om de proceskosten aan belanghebbende toe te kennen. Het arrest is op 7 juni 2000 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de aftrek omzetbelasting moet worden berekend naar het werkelijke gebruik van het vastgoedcomplex.