ECLI:NL:HR:2000:AA5782

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 april 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/006HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • O. de Savornin Lohman
  • P.C. Kop
  • W.H. Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a Rv
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep in cassatie wegens ontbreken advocaatsondertekening

Hermans-Maasdal B.V. heeft tegen de ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de Kantonrechter en de bevestiging daarvan door de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De arbeidsovereenkomst was ontbonden wegens gewichtige redenen en er was een vergoeding toegekend aan de werknemer.

Het cassatieberoep van Hermans-Maasdal werd echter ingediend zonder ondertekening door een advocaat, hetgeen volgens art. 426a lid 1 Rv. vereist is. De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van Hermans-Maasdal in haar beroep.

De Hoge Raad heeft daarop de niet-ontvankelijkheid van Hermans-Maasdal in haar cassatieberoep vastgesteld en het beroep afgewezen. Dit betekent dat de eerdere beslissingen van de lagere rechterlijke instanties ongewijzigd blijven.

Uitkomst: Hermans-Maasdal is niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens het ontbreken van een advocaatsondertekening.

Uitspraak

28 april 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R00/006HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
HERMANS-MAASDAL B.V.,
gevestigd te Wijnandsrade, gemeente Nuth,
VERZOEKSTER tot cassatie,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 4 maart 1999 ter griffie van het Kantongerecht te Heerlen ingediend verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en ontbinding van de arbeidsovereenkomst met verzoekster tot cassatie - verder te noemen: Hermans-Maasdal - verzocht wegens gewichtige redenen onder toekenning van een vergoeding van ƒ 330.336,-- bruto en met veroordeling van Hermans-Maasdal in de kosten van de procedure ten bedrage van ƒ 2.350,--.
Hermans-Maasdal heeft het verzoek bestreden.
De Kantonrechter heeft na een tussenbeschikking van 29 april 1999 bij eindbeschikking van 21 mei 1999 de arbeidsovereenkomst tussen partijen wegens gewichtige redenen ontbonden met ingang van 1 juni 1999, aan [verweerder] ten laste van Hermans-Maasdal een vergoeding van ƒ 200.000,-- bruto toegekend, en het meer of anders verzoch-te afgewezen.
Tegen beide beschikkingen heeft Hermans-Maasdal hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Maastricht.
Bij beschikking van 11 november 1999 heeft de Rechtbank het hoger beroep verworpen.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft Hermans-Maasdal zelf beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. [Verweerder] heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het beroep in cassatie is vervat in een verzoekschrift dat niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Ingevolge het in deze zaak toepasselijke art. 426a lid 1 Rv. moet Hermans-Maasdal niet-ontvankelijk in haar beroep worden verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart Hermans-Maasdal niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P. Neleman, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 28 april 2000.