Uitspraak
12 februari 1999.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen ex-echtgenoten over de verdeling van het negatieve saldo op hun gezamenlijke bankrekening na het einde van hun samenwoning op 22 mei 1986. De bank had hen gedagvaard wegens een debetsaldo van ƒ 15.280,50. De man vorderde in vrijwaring betaling van de vrouw, die zich hiertegen verweerde en in reconventie een eigen vordering instelde.
De rechtbank wees de vordering van de bank tegen de man toe en wees de vordering tegen de vrouw af. In de vrijwaringszaak werden alle vorderingen afgewezen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de man niet-ontvankelijk in zijn vordering tegen de vrouw, omdat volgens het hof de kwestie over het negatieve saldo reeds was beslist in een eerdere boedelscheidingsprocedure.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het eerdere arrest van 22 september 1995 reeds besliste over de draagplicht van het negatieve saldo na 22 mei 1986. De eerdere procedure had slechts bepaald dat het verrekenbeding gold tot die datum en dat een eventueel tekort op de rekening verrekend moest worden, maar niet wie het negatieve saldo na die datum moest dragen.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak voor verdere behandeling naar het Gerechtshof te Amsterdam. De kosten van het cassatiegeding werden gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.