ECLI:NL:HR:1999:AA2685
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Van Amersfoort
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de kwalificatie van grond als ondernemingsvermogen in inkomstenbelastingzaak
Belanghebbende exploiteerde een veehouderij in maatschapsverband met zijn zoon A en kocht in 1981 een stuk grond van 7.38.10 hectare. Deze grond werd vanaf aankoop als ondernemingsvermogen aangemerkt, hoewel belanghebbende deze vanaf 1983 verpachtte aan zijn andere zoon B. Bij staking van de onderneming in 1990 bracht belanghebbende de grond over naar zijn privévermogen, wat leidde tot een boekverlies dat door de Inspecteur werd gecorrigeerd in de belastingaanslag.
Het Gerechtshof bevestigde dat het belanghebbende niet vrijstond de grond tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, omdat aannemelijk was dat de aankoop met het oog op verpachting aan zoon B was gedaan en niet voor exploitatie binnen de onderneming met zoon A. De waarde van grond daalt immers door verpachting, wat relevant is voor de kwalificatie.
De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van het Hof feitelijk en niet onbegrijpelijk was en dat de grond vanaf aankoop tot het privévermogen moest worden gerekend, ook al werd deze tijdelijk in de onderneming gebruikt. De langdurige acceptatie door de Inspecteur van de grond als ondernemingsvermogen deed hieraan niet af.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de grond vanaf aankoop tot het privévermogen behoort en wijst het cassatieberoep af.