ECLI:NL:GHAMS:2010:BO5682
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Perceel niet tot verplicht ondernemingsvermogen gerekend wegens speculatie op bestemmingswijziging
Belanghebbende en zijn broer kochten in december 2000 een perceel landbouwgrond, dat tot dan toe in gebruik was als boomgaard en verpacht aan de zoons van belanghebbende. Na een splitsing van de vennootschap en een geruisloze terugkeer uit de BV werd het perceel door belanghebbende vanaf 1 januari 2001 als privévermogen aangemerkt. De inspecteur stelde dat het perceel tot het verplichte ondernemingsvermogen behoorde en paste de foutenleer toe, waardoor de aanslag werd verhoogd.
Het hof overwoog dat het perceel vanaf de aankoop bestemd was voor beleggingsdoeleinden en speculatie op een mogelijke bestemmingswijziging, mede gelet op de lage pachtprijs en het ontbreken van rendabele exploitatie. De werkzaamheden op het perceel waren ingegeven door privéoverwegingen en de opbrengsten en kosten liepen via de maatschap, maar dit was onvoldoende om het perceel als ondernemingsvermogen te kwalificeren.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de bestreden uitspraak op bezwaar en verminderde de aanslag tot het door belanghebbende opgegeven belastbaar inkomen. Tevens veroordeelde het hof de inspecteur in de proceskosten en gelastte vergoeding van griffierecht. De uitspraak bevestigt dat de feitelijke bestemming en exploitatie van het perceel bepalend zijn voor de kwalificatie als ondernemingsvermogen.
Uitkomst: Het perceel behoort niet tot het verplichte ondernemingsvermogen en de aanslag wordt verminderd tot € 14.471 belastbaar inkomen.