Uitspraak
6 november 1998.
Hoge Raad
De zaak betreft een vrouwelijke ex-stewardess van KLM die stelt dat zij ongelijk werd behandeld bij de pensioenvoorziening in strijd met artikel 119 van Pro het EG-Verdrag, dat gelijke beloning voor gelijke arbeid voorschrijft. Zij vorderde dat haar pensioen opnieuw werd vastgesteld alsof zij als man was behandeld en het verschil werd uitgekeerd.
De kantonrechter oordeelde dat KLM in strijd met het EG-beginsel handelde door vrouwelijke stewardessen niet aan te sluiten bij de gunstigere pensioenregeling voor vliegend personeel, waaronder mannelijke collega's vielen. De rechtbank vernietigde dit vonnis en wees de vorderingen af, stellende dat de functies niet gelijkwaardig waren en dat het verschil in hiërarchie een vergelijking uitsloot.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het automatisme waarmee vrouwelijke stewardessen werden uitgesloten van de gunstigere pensioenregeling onbillijk en in strijd met artikel 119 EG Pro-Verdrag is. Dit geldt ook met terugwerkende kracht vanaf 8 april 1976. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, waarbij KLM wordt veroordeeld tot herberekening van het pensioen en betaling van het verschil.
Uitkomst: De Hoge Raad bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter dat KLM onrechtmatig handelde door vrouwelijke stewardessen een minder gunstige pensioenregeling te bieden en veroordeelt KLM tot herberekening en betaling van het pensioenverschil.