ECLI:NL:HR:1998:AA2604
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Beoordeling investeringsaftrek bij verwerving referentiehoeveelheid suiker in maatschap
Belanghebbende, die samen met zijn echtgenote ondernemingen dreef in twee maatschappen, had in 1992 een referentiehoeveelheid polsuiker gekocht en ingebracht in een maatschap. Hij bracht investeringsaftrek ten laste van zijn winst, maar de Inspecteur weigerde deze aftrek op grond van artikel 11, lid 5, letter h, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de aanslag, maar verwierp het beroep van belanghebbende op investeringsaftrek voor de verworven referentiehoeveelheid suiker. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat de referentiehoeveelheid suiker, vanwege de publiekrechtelijke regeling en prijsgarantie, gelijkgesteld moet worden met een vergunning die niet in aanmerking komt voor investeringsaftrek.
De Hoge Raad overweegt dat de Europese Verordeningen en de nationale raamovereenkomst tussen suikerfabrikanten en bietentelers een kader scheppen waarin de referentiehoeveelheid suiker wordt toegekend en verhandeld. De overdracht van deze hoeveelheid draagt niet bij aan de nationale productiecapaciteit, wat de weigering van de investeringsaftrek rechtvaardigt.
Ten slotte wijst de Hoge Raad het beroep op proceskostenvergoeding af, omdat het Hof terecht een uitzondering maakte op de hoofdregel van kostenveroordeling gezien de geringe omvang van de verbetering van de aanslag. Het beroep in cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt verworpen en de weigering van investeringsaftrek wordt bevestigd.