ECLI:NL:HR:1998:AA2511
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar inkomstenbelasting 1991 wegens ontbreken gronden
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd met een belastbaar inkomen van f 3.463.419. Het bezwaar tegen deze aanslag werd door de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet de vereiste gronden bevatte. Belanghebbende ging in beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat de niet-ontvankelijkheidsuitspraak bevestigde.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De kern van het geschil betrof de toepassing van artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar moet bevatten. Belanghebbende voerde aan dat deze bepaling in fiscale zaken niet van toepassing zou moeten zijn, mede op grond van de parlementaire geschiedenis.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat de werkwijze waarbij belanghebbende ruimschoots meer dan een jaar de gronden van het bezwaar niet had aangevuld, en hem drie maal de gelegenheid was geboden dit te herstellen, binnen de door de Staatssecretaris toegezegde continuering van de fiscale werkwijze viel. Het Hof had dan ook terecht belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. Het cassatiemiddel werd verworpen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid van belanghebbende in bezwaar tegen aanslag inkomstenbelasting 1991 wegens het niet tijdig aanvullen van gronden.