Uitspraak
[woonplaats].
24 juni 1997.
Hoge Raad
In deze zaak werd verdachte veroordeeld voor medeplichtigheid aan het handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (WWM). De feiten betreffen het overdragen van volautomatische wapens door een vertegenwoordiger van de wapenhandel van verdachte aan andere leden van een schietvereniging, waarbij deze wapens werden gebruikt op de schietbaan.
De verdediging voerde onder meer aan dat het schieten onder toezicht en in de nabijheid van de vertegenwoordiger plaatsvond en dat het educatief karakter van het gebruik de strafbaarheid uitsloot. Ook werd betoogd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk zou moeten zijn in de vervolging. Het hof verwierp deze verweren en oordeelde dat het overdragen van wapens in de zin van de WWM ook tijdelijk feitelijke macht over het wapen aan anderen geven omvat.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep. De uitleg van het begrip 'overdragen' in artikel 31 WWM Pro omvat ook het tijdelijk afstaan van feitelijke macht, ongeacht het educatief karakter en het toezicht op de schietbaan. De bewezenverklaring is met redenen omkleed en het beroep op een circulaire werd niet doorslaggevend geacht. Het beroep werd verworpen en de veroordeling gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplichtigheid aan het overdragen van volautomatische wapens aan leden van een schietvereniging.