ECLI:NL:HR:1997:AA2254
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- Bellaart
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over kwalificatie lening als ondernemingsvermogen bij commanditaire vennootschap
Belanghebbende sloot met zijn zoon een commanditaire vennootschap (CV) om een kunsthandel te drijven. Hij bracht een commanditair kapitaal van ƒ 60.000 in en verstrekte daarnaast een lening van ƒ 100.000 aan de CV. De onderneming leed in 1990 een verlies van ruim ƒ 130.000. Het Hof Amsterdam oordeelde dat de lening tot het privévermogen van belanghebbende behoorde, omdat deze was verstrekt uit vaderlijke motieven en niet op zakelijke gronden, en beperkte het verlies tot het commanditaire kapitaal.
In cassatie stelde belanghebbende dat de lening als ondernemingsvermogen moest worden gezien, omdat het geld daadwerkelijk in de onderneming was aangewend en de lening een verlengstuk was van het commanditaire kapitaal. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte de lening tot privévermogen rekende zonder aanwijzingen dat dit onredelijk was. De Hoge Raad bevestigde dat de lening binnen de grenzen van redelijkheid als ondernemingsvermogen kon worden aangemerkt.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof en de uitspraak van de Inspecteur en stelde het belastbare inkomen vast op ƒ 79.073. Tevens werd de Staatssecretaris van Financiën veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak benadrukt dat geldleningen door een commanditair vennoot aan de CV, die daadwerkelijk in de onderneming worden gebruikt, tot het ondernemingsvermogen behoren, ook bij familierelaties.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en kwalificeert de lening als ondernemingsvermogen, waardoor het verlies hoger dan het commanditaire kapitaal als verlies uit onderneming mag worden afgetrokken.