ECLI:NL:HR:1997:AA2213

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 1997
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
32009
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Stoffer
  • Pos
  • Beukenhorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 lid 1 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel Hof over aftrekbare kosten en werkzaamheden in belastingzaak 1993

Belanghebbende werd voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd. Na bezwaar werd deze aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 80.101,--. Belanghebbende ging hiertegen in beroep bij het Hof Amsterdam, dat de uitspraak van de Inspecteur bevestigde.

Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad en voerde diverse klachten aan. De Hoge Raad beoordeelde onder meer of de door belanghebbende opgegeven aftrekbare kosten juist waren vastgesteld en of de werkzaamheden voor een commissie van de Gemeentelijke Kredietbank als een economische activiteit konden worden aangemerkt.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat niet meer dan ƒ 554,-- aan aftrekbare kosten in aanmerking kwam, conform artikel 37, lid 1, Wet op de inkomstenbelasting 1964. Tevens was het oordeel dat de werkzaamheden voor de commissie een activiteit in het economisch verkeer betrof juist en behoefde geen nadere motivering. Andere klachten faalden eveneens. De Hoge Raad wees het beroep af en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof over aftrekbare kosten en werkzaamheden.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de op 19 december 1995 verzonden uitspraak van het Ge rechtshof te Amsterdam betreffende de hem voor het jaar 1993 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 80.101,--. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten 3.1. In de onder 5.4 en 5.5 van zijn uitspraak vermelde oordelen van het Hof over de door belangheb bende opgegeven aftrekbare kosten in verband met de inkomsten uit arbeid ligt besloten dat belanghebbende minder dan ƒ 554,-- aan aftrekbare kosten heeft ge maakt. Bij dat uitgangspunt is het oordeel dat niet meer dan ƒ 554,-- voor aftrek in aanmerking komt, gelet op het bepaalde in artikel 37, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, juist. Voorzover de klachten anders betogen falen zij. 3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het deel uit maken van een door de Gemeentelijke Kredietbank ingestelde commissie een in het economisch verkeer verrichte activiteit is. In dit oordeel, dat geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en geen nadere motivering behoefde, ligt besloten dat de ten behoeve van die commissie verrichte werkzaamheden niet in de persoonlijke sfeer worden verricht. Het Hof heeft de vraag of belanghebbende met zijn werkzaamheden een voordeel beoogde in het onderhavige geval dan ook terecht niet van belang geoordeeld. Voorzover de klachten van een andere opvatting uitgaan, falen zij. 3.3. Ook voor het overige falen de klachten. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechts vragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een
veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 25 juni 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.