ECLI:NL:HR:1997:AA2191
Hoge Raad
- Cassatie
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Meij
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag omzetbelasting na faillissement dochtervennootschappen
Belanghebbende, een fiscale eenheid bestaande uit X B.V. en haar dochtervennootschappen, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over het tijdvak 1 januari tot en met 23 december 1993. Na bezwaar en beroep bij het hof werd de aanslag gehandhaafd. De dochtervennootschappen werden failliet verklaard en de fiscale eenheid werd per 24 december 1993 ontbonden.
De naheffingsaanslag was opgelegd nadat de dochters hun aangiften over december 1993 indienden maar niet betaalden. Het hof achtte aannemelijk dat op 23 december 1993 al duidelijk was dat de schuldeisers van de dochters niet betaald zouden worden, en dat de fiscale eenheid de vergoeding niet geheel zou kunnen voldoen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en dat de feitelijke waarderingen niet in cassatie kunnen worden getoetst. Ook het beroep op het zorgvuldigheidsbeginsel slaagt niet omdat het hof aannemelijk maakte dat eerdere fouten in naheffingsaanslagen geen misverstand veroorzaakten.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en wijst proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de naheffingsaanslag omzetbelasting.