ECLI:NL:HR:1997:AA2082
Hoge Raad
- Cassatie
- Van der Linde
- Bellaart
- De Moor
- Van Brunschot
- Meij
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over invoer van schip uit vrije verkeer Nederlandse Antillen voor omzetbelasting
Belanghebbende werd door de Inspecteur uitgenodigd tot betaling van omzetbelasting over een schip dat hij in Nederland in gebruik had genomen. Het schip was oorspronkelijk als vissersvaartuig gebouwd, verkocht aan een partij op de Bahama's en buiten de EU gebracht. Later werd het in Nederland verbouwd en verkocht aan belanghebbende en een mede-eigenaar op Curaçao. Het schip lag onder Britse vlag in de haven van Scheveningen toen het door de douane werd aangetroffen.
De Inspecteur stelde dat sprake was van invoer in de zin van artikel 18 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968, waarvoor geen vrijstelling gold. Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep bij het Hof, dat de aanslag bevestigde. In cassatie betoogde belanghebbende dat geen belastbaar feit had plaatsgevonden en dat het schip uit het vrije verkeer van de Nederlandse Antillen kwam, waardoor geen invoer in de EU zou zijn.
De Hoge Raad oordeelde dat het grondgebied van de Nederlandse Antillen niet gelijkgesteld kan worden aan dat van een lidstaat van de EU voor de omzetbelastingheffing. Gezien de complexiteit en onzekerheid over de juiste uitleg van relevante EU-wetgeving, verzocht de Hoge Raad het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing over de vraag of het binnenbrengen van een schip uit het vrije verkeer van de Nederlandse Antillen als invoer in de EU moet worden aangemerkt.
De Hoge Raad schorst het geding en houdt verdere uitspraak aan totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan over deze vraag.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst het geding en verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële uitspraak over de uitleg van EU-regels omtrent invoer van een schip uit het vrije verkeer van de Nederlandse Antillen.