ECLI:NL:HR:1996:AA1917
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer C.H.M. Jansen
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en verwijzing in geschil over rioolrechten gemeente Amsterdam
Belanghebbende werd voor het jaar 1992 aangeslagen voor rioolrechten door de gemeente Amsterdam, waarbij vijf aanslagen op één biljet waren verenigd. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslagen, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof Amsterdam. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Inspecteur.
Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De kern van het geschil betrof de juiste toepassing van artikel 279 van Pro de Gemeentewet (oud), waarbij de Verordening rioolrechten 1992 twee afzonderlijke retributies kent: het rioolaansluitrecht en het rioolafvoerrecht. Deze dienen afzonderlijk te worden beoordeeld op hun kosten- en opbrengstverhouding.
Het Hof had geoordeeld dat de geraamde opbrengsten niet hoger waren dan de geraamde uitgaven, maar had dit oordeel onjuist toegepast door beide retributies samen te beoordelen in plaats van afzonderlijk. Hierdoor kon het oordeel van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak naar het Hof Den Haag voor verdere behandeling met inachtneming van deze overwegingen.
Daarnaast veroordeelde de Hoge Raad de gemeente Amsterdam tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van belanghebbende. Het arrest werd op 15 juli 1996 uitgesproken door vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Stoffer.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het Hof Den Haag voor herbeoordeling.