ECLI:NL:HR:1996:AA1832
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt weigering kinderbijslag na beëindiging dienstverband op basis van internationaal recht
X c.s., werknemers met Spaanse, Portugese of Kaapverdische nationaliteit, werkten tot uiterlijk april 1984 bij A B.V. in Nederland. Het Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank wees hun aanvragen tot kinderbijslag over kwartalen na het dienstverband af. De Raad van Beroep verklaarde de beroepen gegrond voor de kwartalen waarin zij een WW-uitkering ontvingen, maar ongegrond voor de overige kwartalen.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde dit oordeel en verklaarde de beroepen voor die overige kwartalen ongegrond. In cassatie stond centraal of op grond van internationale verdragen de Nederlandse kinderbijslagwet ook na beëindiging van het dienstverband van toepassing is.
De Hoge Raad oordeelde dat de Nederlandse wetgeving na beëindiging van het dienstverband niet meer van toepassing is en dat de internationale verdragen geen aanleiding geven tot een ruimere uitleg die aanspraak op kinderbijslag na einde dienstverband rechtvaardigt. Het cassatieberoep werd verworpen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat er geen recht op kinderbijslag bestaat na beëindiging van het dienstverband op grond van de AKW en internationale verdragen.