ECLI:NL:HR:1996:AA1773
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer C.H.M. Jansen
- raadsheer Fleers
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ruime uitleg van het begrip brandstof in milieubelastingzaken
Belanghebbende, een vennootschap onder firma die methanol produceert, gebruikte foezelolie, een restproduct van de methanolproductie, voor energieopwekking. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag op omdat hij meende dat foezelolie als brandstof in de zin van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Wabm) en de Wet milieubeheer moest worden beschouwd.
Het Hof bevestigde deze naheffingsaanslag omdat foezelolie voldeed aan de definitie van brandstof: een stof die wordt verbrand met het doel energie te benutten en waarbij verontreinigende stoffen vrijkomen. Belanghebbende stelde dat alleen volwaardige brandstoffen onder deze definitie vielen, niet restproducten zoals foezelolie.
De Hoge Raad verwierp dit verweer en oordeelde dat het begrip brandstof ruim moet worden uitgelegd, mede gelet op de wetsgeschiedenis en het doel van de wetgeving om luchtverontreiniging te bestrijden. Het arrest bevestigt dat ook vloeibare restproducten die energie opleveren en luchtverontreiniging veroorzaken, als brandstof worden aangemerkt voor belastingdoeleinden.
De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten. Hiermee blijft de naheffingsaanslag onverminderd van kracht.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat foezelolie als brandstof voor milieubelasting moet worden aangemerkt.