Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1995:AA3169

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
29971
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • Bellaart
  • De Moor
  • C.H.M. Jansen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 2 letter b Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 8 lid 3 letter a ten 4° Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 2 lid 5 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermogensaftrek vennootschapsbelasting bij verkoop onderneming en vermogensbestanddelen

Belanghebbende X B.V. kreeg voor het jaar 1987 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, die na bezwaar werd gehandhaafd. Het Hof vernietigde deze uitspraak en verminderde de aanslag naar een lager belastbaar bedrag. X B.V. stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.

De zaak betrof de vraag of X B.V. aanspraak had op vermogensaftrek over het saldo van haar vorderingen minus schulden per 1 januari 1987. De onderneming was in 1983 verkocht aan D B.V., waarna X B.V. inkomsten ontving uit winstrecht, rente en huur. Het winstrecht liep in 1987 af en het bedrijfspand werd aan D B.V. verkocht.

De Hoge Raad oordeelde dat X B.V. winst uit onderneming genoot, ook zonder toepassing van artikel 2, lid 5, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Echter, de vermogensbestanddelen die niet dienstbaar waren aan de onderneming konden geen recht geven op vermogensaftrek volgens artikel 8, lid 3, letter a, ten 4°, van de Wet. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.

De Hoge Raad wees tevens af dat proceskosten werden toegewezen aan partijen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren in raadkamer op 25 oktober 1995.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat geen verdere vermogensaftrek toekomt over niet-ondernemingsgebonden vermogensbestanddelen.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 september 1993 betreffende de haar voor het jaar 1987 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1987 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 3.606.690,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat deze uitspraak heeft vernietigd en de aanslag heeft verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 3.579.308,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van het middel van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende heeft in 1983 haar onderneming op het gebied van de handel in en assemblage van artikelen, bestemd voor de aandrijftechniek, verkocht aan D B.V. (hierna: D BV) tegen een vordering en een winstrecht, waarna haar werkzaamheden in feite slechts bestonden uit het incasseren van inkomsten uit dat winstrecht, het verstrekken aan D BV van een lening ten bedrage van ƒ 16.067.172,-- tegen een rente van 8%, en de verhuur van een bedrijfspand aan D BV. Belanghebbendes inkomsten bestonden aldus van 1983 tot en met 1987 uit huur, rente en ontvangsten voortvloeiende uit het winstrecht. In 1987 expireerde het winstrecht. Het bedrijfspand is op 31 december 1987 aan D BV verkocht. De lening ad ƒ 16.067.172,--, die, ingaande 1988, zou worden afgelost in 20 jaar, is in dat jaar vervroegd afgelost. Kort daarna zijn de aandelen in belanghebbende verkocht aan een bank. Aan belanghebbende is voor het onderhavige jaar op de voet van artikel 8, lid 4, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (tekst 1987, hierna: de Wet) vermogensaftrek ten bedrage van ƒ 27.652,-- toegekend over de waarde van de bedrijfsgebouwen en het winstrecht. 3.2. In cassatie is aan de orde de vraag of belanghebbende over het saldo per 1 januari 1987 van haar vorderingen verminderd met haar schulden aanspraak heeft op een verdere vermogensaftrek tot een bedrag van ƒ 204.528,--.
3.3. Het Hof heeft vastgesteld dat het bedrijfspand werd aangehouden in afwachting van verkoop, en dat belanghebbende winstuitkeringen genoot ingevolge de overdracht van haar onderneming. Dit brengt mee dat belanghebbende in zoverre - ook afgezien van het bepaalde in artikel 2, lid 5, van de Wet - winst uit onderneming genoot. Het middel is derhalve in zoverre gegrond dat belanghebbende voor de toepassing van de vermogensaftrek niet is aan te merken als een lichaam als bedoeld in artikel 8, lid 2, letter b, van de Wet. Zulks kan belanghebbende evenwel niet baten. De feiten laten geen andere conclusie toe dan dat de door de Inspecteur voor de vermogensaftrek niet in aanmerking genomen vermogensbestanddelen niet dienstbaar waren aan een door belanghebbende gedreven onderneming. Ingevolge artikel 8, lid 3, letter a, ten 4°, van de Wet heeft belanghebbende derhalve ter zake van die vermogensbestanddelen geen recht op toepassing van de vermogensaftrek. Weliswaar heeft blijkens 's Hofs uitspraak de Inspecteur verklaard geen beroep op die bepaling te doen, doch dit neemt niet weg dat het de Hoge Raad niet vrijstaat deze bepaling buiten toepassing te laten. 3.4. Het beroep kan mitsdien niet tot cassatie leiden.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, in raadkamer van 25 oktober 1995.