ECLI:NL:HR:1995:AA3109
Hoge Raad
- Cassatie
- Stoffer
- Urlings
- Zuurmond
- Herrmann
- Fleers
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt belastingaanslag na aandelenverrekening tegen nominale waarde
Belanghebbende kocht in 1985 alle aandelen van een BV voor ƒ 1,-- en nam tevens een rekening-courantvordering van nominale ƒ 166.285,49 over voor ƒ 1,--. Deze vordering was eind 1985 opgelopen tot ƒ 243.722,10. In 1987 werd het maatschappelijk kapitaal uitgebreid en werd een deel van de volstorting verricht door verrekening met de rekening-courantvordering.
De Inspecteur stelde op grond van artikel 29, lid 1, Wet op de inkomstenbelasting 1964 een bedrag van ƒ 166.285,-- bij het belastbare inkomen van belanghebbende. Het Hof vernietigde de aanslag en stelde het belastbare inkomen vast op ƒ 27.642,--, waarbij het oordeel was dat de verrekening moest worden gewaardeerd op nihil, de economische waarde.
De Hoge Raad oordeelde dat bij de waardering van de door de BV verkregen waarde moet worden uitgegaan van de nominale waarde van de verrekende vordering, omdat de BV als debiteur is bevrijd van die schuld. Het beroep faalde ook omdat het objectieve stelsel van de Wet, hoewel mogelijk niet aansluitend bij maatschappelijke opvattingen, slechts door de wetgever kan worden gewijzigd.
De Hoge Raad wees het beroep af en legde een recht van ƒ 300,-- op aan de Staatssecretaris van Financiën. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de verrekening van de rekening-courantvordering tegen nominale waarde moet worden belast.