ECLI:NL:HR:1995:AA3061

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30263
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Wildeboer
  • Zuurmond
  • Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie van de Staatssecretaris van Financiën inzake aftrekbaarheid van kosten voor begeleiders van excursies

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem, die op 21 april 1994 werd gedaan. De zaak betreft de aan X te Z opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen voor het jaar 1990. De belanghebbende had een aanslag ontvangen op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 65.864, maar na bezwaar werd deze door de Inspecteur gehandhaafd. De belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de aanslag verlaagde tot een belastbaar inkomen van ƒ 65.114.

De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak van het Hof. Het Hof had geoordeeld dat de belanghebbende, als leraar, twee reizen naar Parijs had gemaakt ter voorbereiding en begeleiding van een excursie voor examenkandidaten. Het Hof concludeerde dat deze activiteiten deel uitmaakten van de taak van de leraar en dat de kosten voor deze reizen aftrekbaar waren, ondanks de beperkingen die in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zijn opgenomen.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht had geoordeeld dat de kosten voor de reizen niet onder de beperking van aftrekbaarheid vallen, omdat begeleiders van excursies niet als deelnemers worden beschouwd. De Hoge Raad verwierp het beroep van de Staatssecretaris, en oordeelde dat er geen termen aanwezig waren voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd op 15 maart 1995 gedaan door de raadsheer Wildeboer als voorzitter, samen met de raadsheren Zuurmond en Fleers, en werd in het openbaar uitgesproken.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 21 april 1994 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1990 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 65.864,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 65.114,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende twee reizen naar Parijs heeft gemaakt in het kader van de voorbereiding en de begeleiding van een excursie van examenkandidaten van de onderwijsinstelling waaraan hij als leraar is verbonden alsmede dat de voorbereiding en de begeleiding van de excursie deel uitmaakten van belanghebbendes taak als leraar en derhalve geen verband houden met een excursie, studiereis of iets dergelijks van belanghebbende zelf. Aan deze, in cassatie niet bestreden, oordelen heeft het Hof met juistheid de gevolgtrekking verbonden dat het bepaalde in artikel 36, lid 1 aanhef en letter j, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet in de weg staat aan aftrek van de kosten die belanghebbende heeft gemaakt in verband met die reizen. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling moet worden afgeleid dat de beperking van de aftrekbaarheid van kosten die verband houden met reizen als de onderhavige - omtrent welke kostenpost is opgemerkt dat het hierbij in het bijzonder gaat om evenementen die een voor de deelnemers veelal vrijblijvend karakter dragen (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II, 1988/89, 20 873, nr. 3, blz. 28) - zich niet uitstrekt tot de kosten gemaakt door begeleiders van excursies, studiereizen en dergelijke, nu naar normaal spraakgebruik begeleiders als hier bedoeld niet als deelnemer worden aangeduid en het maken van excursies, studiereizen en dergelijke voor hen veelal geen vrijblijvend karakter heeft. Het middel waarin wordt betoogd dat geen onderscheid kan worden gemaakt tussen deelnemers aan excursies en dergelijke en de begeleiders daarvan faalt derhalve.
4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 15 maart 1995 vastgesteld door de raadsheer Wildeboer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van dit beroep ƒ 300,-- geheven.