ECLI:NL:HR:1995:AA3031

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 februari 1995
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
30035
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • Van der Linde
  • De Moor
  • C.H.M. Jansen
  • Van der Putt-Lauwers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over navorderingsaanslag inkomstenbelasting autohandelaar

Belanghebbende, een handelaar in zuivelproducten die tevens actief was in de handel en restauratie van klassieke auto's, kreeg een navorderingsaanslag opgelegd voor het jaar 1986. De Inspecteur baseerde de aanslag op advertenties, brutowinstpercentages en restauratievergoedingen, wat leidde tot een belastbaar inkomen van ƒ 50.044,--. Na een FIOD-onderzoek en een fiscaal rapport werd een tweede navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 84.033,--.

Het Hof Amsterdam handhaafde de navorderingsaanslag en oordeelde dat belanghebbende winst uit onderneming genoot, waarbij het Hof aannam dat er sprake was van winststreven. Belanghebbende stelde in cassatie onder meer dat het Hof onterecht niet had getoetst op winststreven en dat het Hof buiten de rechtsstrijd was getreden door de Inspecteur's berekeningen te accepteren.

De Hoge Raad verwierp het middel over winststreven en het middel over de berekeningswijze, maar gaf wel gehoor aan het middel dat het Hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het belanghebbende niet de keuze had geboden voor een stelsel van winstberekening. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor nader onderzoek naar de hoogte van de winst, waarbij de bewijslast bij de Inspecteur ligt.

Verder stelde de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid zich uit te laten over proceskosten en bepaalde dat het griffierecht van ƒ 300,-- aan belanghebbende wordt vergoed.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en verwijst zaak terug voor nader onderzoek naar de winstberekening.

Uitspraak

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 november 1993 betreffende na te melden navorderings- aanslag in de inkomstenbelasting.
1. Aanslag en geding voor het Hof Aan belanghebbende, die aanvankelijk in de inkomstenbelasting voor het jaar 1986 was aangeslagen naar een belastbaar inkomen van ƒ 20.657,--, is over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 50.044,--, met een verhoging van de nagevorderde belasting van 100 percent, van welke verhoging bij besluit van de Inspecteur geen kwijtschelding is verleend. Belanghebbende is tegen die aanslag en dat besluit in beroep gekomen bij het Hof, dat deze navorderingsaanslag heeft gehandhaafd en dit besluit heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. R.H. Dormeier, advocaat te Leiden.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie 3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan: Belanghebbende heeft sedert 1969 een handel in zuivelproducten. Naar aanleiding van een door de douanerecherche ingesteld onderzoek, waaruit naar voren was gekomen dat verscheidene ingevoerde, voornamelijk klassieke, automobielen voor belanghebbende waren bestemd, en een nader onderzoek, waaruit bleek dat belanghebbende een groot aantal auto's te koop aanbood via advertenties in een landelijk dagblad en een hobbyblad, is aan belanghebbende de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd. Als grondslagen voor de berekening van de belastingaanslag werden gehanteerd de door belanghebbende geplaatste advertenties, een brutowinstpercentage van 15,5%, alsmede een vergoeding voor restauraties van 10%, welke percentages werden afgerond op in totaal 25%. Het belastbare inkomen werd aldus berekend op ƒ 50.044,--. Tijdens een onderzoek door de FIOD op 3 juni 1991 zijn bij belanghebbende meer dan 40 auto's aangetroffen. Voorts zijn bij hem aangetroffen een administratie met aantekeningen met betrekking tot de autohandel in de jaren 1978 tot en met 1986, bescheiden inzake een postrekening die uitsluitend werd gebruikt voor het verrichten van betalingen inzake de autohandel, een ordner betreffende het jaar 1986 inhoudende diverse stukken betrekking hebbende op de autohandel, briefpapier met het opschrift "Oldtimers-X", waarop onder meer was vermeld: "inkoop-verkoop-bemiddeling-documentatie-alle merken oldtimers op bestelling", visitekaartjes, (concept-)verkoopbemiddelingsovereenkomsten, een foto met daarop een autoambulance voorzien van de reclameaanduiding "Oldtimers-X" en telefoonnummers, en adresbanden van het periodiek "Voiture's courant" gericht aan "Oldtimers-X". In een fiscaal rapport van 8 november 1991, dat door de FIOD is opgemaakt inzake de heffing van inkomstenbelasting en omzetbelasting over het jaar 1986, is de winst voor dat jaar, uitgaande van een brutowinst van ƒ 75.210,-- berekend op ƒ 68.503,31. Het bedrag van ƒ 75.210,-- berust op een door de FIOD gereconstrueerde winstberekening. Naar aanleiding van dit fiscaal rapport is aan belanghebbende op 31 december 1991 een tweede navorderingsaanslag opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 84.033,-- met een verhoging van 100% waarvan geen kwijtschelding is verleend.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet op de werkzaamheden van belanghebbende, te weten het aanbieden ten verkoop van auto's, het verkopen van auto's en het bemiddelen daarbij en het restaureren van auto's, op de wijze waarop belanghebbende deze werkzaamheden verrichtte, en op de omvang van die werkzaamheden, belanghebbende winst uit onderneming heeft genoten in de zin van artikel 6 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Middel I strekt ten betoge dat het Hof voor de beoordeling van de vraag of belanghebbende winst uit onderneming genoot, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd doordat het Hof niet heeft getoetst of bij belanghebbende een winststreven bestond. Het middel kan niet tot cassatie leiden. In het licht van de door belanghebbende gestelde feiten, te weten dat hij in de jaren 1986 tot en met 1990 jaarlijks in elk geval enkele tientallen auto's heeft gekocht en geruild of verkocht, dat hij regelmatig advertenties deed plaatsen waarin hij auto's te koop aanbood, dat hij over stallingruimte voor de in zijn bezit zijnde auto's beschikte, dat een en ander er mede toe strekte het met zijn activiteiten als verzamelaar van oude auto's gemoeide geldvolume te vergroten en de kwaliteit van zijn verzameling te verhogen, en dat hij met bedoelde transacties geldelijk voordeel heeft behaald, behoefde 's Hofs oordeel dat belanghebbendes activiteiten met betrekking tot de verhandeling van auto's een onderneming vormden, in welk oordeel ligt besloten dat belanghebbende met deze activiteiten naar winst streefde, geen nadere motivering dan het Hof heeft gegeven. 3.3. Middel II strekt ten betoge dat het Hof, door betekenis toe te kennen aan berekeningen die de Inspecteur ten grondslag heeft gelegd aan de tweede navorderingsaanslag, buiten de rechtsstrijd is getreden. Het middel faalt, aangezien de Inspecteur gerechtigd was om zoals hij in het vertoogschrift heeft gedaan een nadere berekening aan de navorderingsaanslag ten grondslag te leggen, en het Hof die nadere berekening in zijn oordeel kon betrekken. Voor zover middel II opkomt tegen de door het Hof gevolgde berekeningswijze, waarbij zou zijn uitgegaan van 10% vergoeding voor restauraties, mist het feitelijke grondslag, aangezien het Hof niet van een zodanige berekening is uitgegaan. 3.4. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat belanghebbende onder meer met het in het geding brengen van uiteenlopende cijfers ten aanzien van de brutowinst behaald in 1986, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door de Inspecteur berekende winst onjuist is. Middel III voert aan dat het uiteenlopen van de cijfers berust op de berekening van de winst met en zonder eliminatie van omzetbelasting over de inkoopprijzen. 's Hofs oordeel is onbegrijpelijk in het licht van de door belanghebbende overgelegde berekeningen, zodat aan 's Hofs beslissing omtrent het bedrag van de door belanghebbende met de hiervóór in 3.2 bedoelde onderneming behaalde winst de grondslag ontvalt. Het middel is derhalve gegrond. 3.5. Middel IV behelst de klacht dat het Hof belanghebbende niet alsnog in de gelegenheid heeft gesteld een stelsel van winstberekening te kiezen. Het middel treft doel. Nu het Hof belanghebbende als ondernemer heeft aangemerkt, had het Hof hem in de gelegenheid diende te stellen een stelsel van winstberekening te kiezen. 3.6. Gelet op het hiervóór in 3.4 en 3.5 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nader onderzoek omtrent het bedrag van de door belanghebbende met de hiervóór in 3.2 bedoelde onderneming behaalde winst, ten aanzien van welk bedrag de bewijslast op de Inspecteur rust.
4. Proceskosten De Hoge Raad zal met het oog op een eventuele veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken belanghebbende in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald.
5. Beslissing. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dit arrest, gelast dat door de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 300,--, en stelt belanghebbende in de gelegenheid binnen 6 weken na de uitspraak in het openbaar van dit arrest zich uit te laten omtrent een eventuele veroordeling van de wederpartij in de kosten van het geding in cassatie.
Dit arrest is op 1 februari 1995 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, De Moor, C.H.M. Jansen en Van der Putt-Lauwers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.