ECLI:NL:HR:1995:AA1536
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van der Linde
- De Moor
- C.H.M. Jansen
- Van der Putt-Lauwers
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over economische activiteit en aftrek omzetbelasting bij obligatiebezit
De commanditaire vennootschap X kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1 januari 1987 tot 1 maart 1991, omdat de Inspecteur meende dat zij vanaf 17 april 1987 geen ondernemer was in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968. X was houdster van aandelen en obligaties uitgegeven door overheidslichamen en bedrijven in de VS en Canada en genoot dividend en rente.
Het Hof bevestigde dat het enkel verwerven en houden van obligaties niet kwalificeert als het verlenen van krediet of als economische activiteit volgens de Zesde Richtlijn, waardoor X geen ondernemer was en geen recht had op aftrek van voorbelasting. X stelde dat haar activiteiten als geheel een onderneming vormden en dat zij recht had op aftrek.
De Hoge Raad stelt vast dat de begrippen in de Wet dezelfde betekenis hebben als in de Zesde Richtlijn en legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie EU over de kwalificatie van het houden van obligaties als economische activiteit, de toepassing van aftrekregels en de berekening van eventuele uitsluiting van aftrek.
De Hoge Raad schorst het geding en houdt verdere uitspraak aan totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan over deze vragen.
Uitkomst: Hoge Raad houdt uitspraak aan en verzoekt prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie over de kwalificatie van het houden van obligaties als economische activiteit en aftrek van voorbelasting.