Uitspraak
[woonplaats].
15 maart 1994.
Hoge Raad
De Kantonrechter verklaarde het verzet van betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ongegrond. Betrokkene stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Advocaat-Generaal adviseerde vernietiging van de beschikking en terugwijzing van de zaak.
De Hoge Raad onderzocht de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Volgens artikel 26 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) is het cassatieberoep alleen ontvankelijk indien vooraf zekerheid wordt gesteld voor het nog verschuldigde bedrag en de kosten. De Hoge Raad benadrukte dat indien zekerheid niet gelijktijdig met het cassatieberoep is gesteld, betrokkene een termijn moet krijgen om alsnog zekerheid te stellen.
De Hoge Raad stelde dat betrokkene binnen dertig dagen na de uitspraak zekerheid moet stellen bij de griffie van het Kantongerecht te 's-Gravenhage. Indien dit niet gebeurt, zal het cassatieberoep niet-ontvankelijk worden verklaard. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Haak en raadsheren Van Erp, Taalman Kip-Nieuwenkamp en Koster.
Uitkomst: Betrokkene krijgt dertig dagen om zekerheid te stellen, anders wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.