Uitspraak
[X]te
[Z]tegen de uitspraak van het Gerechtshof te
's-Gravenhagevan 23 februari 1981 betreffende na te melden hem opgelegde aanslagen in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente [Z] voor het jaar 1979;
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om aanslagen onroerendgoedbelasting opgelegd aan een eigenaar van 24 woningen, waarvan 18 sinds januari 1978 gekraakt waren. De gemeente stelde dat de eigenaar het genot krachtens zakelijk recht had en daarom belastingplichtig was. Het hof bevestigde deze standpunt en wees het beroep van de belanghebbende af.
De belanghebbende stelde in cassatie dat het onredelijk en willekeurig was om belasting te heffen terwijl hij door het kraken feitelijk geen genot van de woningen had. Tevens stelde hij dat het hof onvoldoende had onderzocht of de gebruikte vermenigvuldigingsfactoren voor de heffingsgrondslag rekening hielden met de waardedaling door kraken.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het genot krachtens zakelijk recht altijd aan de eigenaar toekomt, ook als het gebruik door derden onrechtmatig is ontnomen, tenzij die ontneming van voorbijgaande aard is. Dit betekent dat de eigenaar in geval van langdurig kraken niet als genothebbende kan worden aangemerkt voor belastingheffing. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.
Ten aanzien van de heffingsgrondslag bevestigt de Hoge Raad dat de waarde in het economische verkeer bepalend is en dat de waardedaling door kraken buiten beschouwing moet blijven bij de oppervlaktebepaling met vermenigvuldigingsfactoren. De klacht hierover faalt daarom.
De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van deze overwegingen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming dat langdurig kraken het genot krachtens zakelijk recht kan ontnemen.