ECLI:NL:HR:1978:AC6231
Hoge Raad
- Cassatie
- Dubbink
- van Dijk
- Drion
- Köster
- Haardt
- Rechtspraak.nl
Toepassing van artikel 1636b BW op opzegbare huurovereenkomst van bedrijfsruimte
De zaak betreft een geschil tussen de gemeente Beverwijk en een huurder over de ontbinding van een huurovereenkomst van een bedrijfsruimte. De gemeente had het pand gekocht en wilde de huurovereenkomst ontbinden om een bestemmingsplan te verwezenlijken dat sloop van het pand vereiste. De huurovereenkomst was oorspronkelijk voor zes jaar gesloten met verlenging en daarna voortgezet voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn van één jaar.
De kantonrechter had de huurovereenkomst ontbonden met ingang van 1 mei 1977 en de huurder veroordeeld tot ontruiming. De rechtbank vernietigde dit vonnis en wees de vorderingen van de gemeente af, stellende dat artikel 1636b BW niet van toepassing was op een voor onbepaalde tijd lopende, opzegbare huurovereenkomst van bedrijfsruimte.
De Hoge Raad oordeelt dat deze beperking van artikel 1636b BW niet door de wetsgeschiedenis of tekst wordt gedragen. Artikel 1636b BW is juist bedoeld om tussentijdse ontbinding mogelijk te maken, ook bij huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd met een opzegtermijn. De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter, behoudens de kostenveroordeling.
Daarnaast behandelt de Hoge Raad procesrechtelijke aspecten omtrent de kosten en schadeloosstelling en bepaalt dat over de kosten zal worden beslist bij de uitspraak over de schadeloosstelling. De uitspraak werd gedaan op 31 maart 1978 door de Hoge Raad te Den Haag.
Uitkomst: Artikel 1636b BW is ook van toepassing op opzegbare huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd, waardoor de ontbinding van de huurovereenkomst door de gemeente terecht was.