ECLI:NL:HR:1926:355

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 september 1926
Publicatiedatum
25 april 2024
Zaaknummer
2912
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Fentener van Vlissingen
  • Segers
  • van den Dries
  • Van Gelein Vitringa
  • Kirberger
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 Wet van 19 December 1914Art. 82 Wet op de Inkomstenbelasting 1914Art. 10 Wet van 22 Mei 1845
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vernietiging tweede navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1922/23

In deze zaak stond centraal de vraag of een tweede navorderingsaanslag inkomstenbelasting over hetzelfde belastingjaar en dezelfde feiten kan worden opgelegd nadat de eerste navorderingsaanslag was vernietigd door de Raad van Beroep. De belanghebbende was aanvankelijk aangeslagen op een zuiver inkomen van f 6000,-, waarna een navorderingsaanslag werd opgelegd van f 14.894,-. Deze eerste navorderingsaanslag werd vernietigd door de Raad van Beroep en het daarop ingestelde cassatieberoep door de Minister van Financiën werd verworpen.

Vervolgens werd een tweede navorderingsaanslag opgelegd die gelijk was aan de eerste, maar ook deze werd door de Raad van Beroep vernietigd. De Minister van Financiën stelde cassatiemiddel in tegen deze tweede vernietiging, stellende dat de wet dit zou toestaan. De Hoge Raad overwoog echter dat het niet is toegestaan om een tweede navorderingsaanslag op dezelfde feiten op te leggen zolang tegen de vernietiging van de eerste aanslag nog rechtsmiddelen openstaan of nog geen definitieve uitspraak is gedaan.

De Hoge Raad wees er op dat het toestaan van twee navorderingsaanslagen over dezelfde feiten zou leiden tot strijd met de wet en tot onwenselijke dubbele verplichtingen voor de belastingplichtige. Daarom werd het cassatieberoep verworpen en bleef de vernietiging van de tweede navorderingsaanslag in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Minister van Financiën wordt verworpen en de vernietiging van de tweede navorderingsaanslag blijft in stand.

Uitspraak

DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het beroepschrift in cassatie van
den Minister van Financiën, tegen de uitspraak van den Raad van Beroep voor de directe belastingen te
Utrechtvan 17 Februari 1926, betreffende den aan
[X] te [Z]opgelegden aanslag tot navordering van Inkomstenbelasting over het belastingjaar 1922/23;
Gezien de stukken;
Gelet op de schriftelijke conclusie van den
Procureur-Generaal, strekkende tot verwerping van het beroep;
Overwegende dat ten deze vaststaat:
dat aan belanghebbende, die oorspronkelijk in de Inkomstenbelasting over genoemd jaar was aangeslagen naar een zuiver inkomen van f 6000 .- , vervolgens een navorderingsaanslag is opgelegd naar een zuiver inkomen van f 14894 .- , welke aanslag bij uitspraak van den Raad van Beroep voor de directe belastingen te Utrecht van 5 November 1924 is vernietigd, terwijl het tegen deze uitspraak door den Minister van Financiën ingestelde beroep in cassatie bij arrest van den Hoogen Raad van 23 September 1925 is verworpen;
dat bij aanslagbiljet, gedagteekend 30 April 1925 aan den belanghebbende een nieuwe navorderingsaanslag is opgelegd, geheel gelijk aan den vorige;
dat, na door den belanghebbende ingesteld beroep, de Raad van Beroep te Utrecht bij de bestreden
uitspraak ook dien tweeden aanslag heeft vernietigd;
Overwegende dat de Minister van Financiën tegen die uitspraak als middel van cassatie aanvoert:
Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 16 der Pro wet van 19 December 1914 (Staatsblad No 564) in verband met artikel 82 der Pro wet op de Inkomstenbelasting 1914;
Overwegende ambtshalve:
dat, wel is waar, niet onder alle omstandig heden is uitgesloten, dat een tweede navorderingsaanslag kan worden opgelegd op grond van dezelfde feiten, die tot den voorafgeganen aanslag hebben geleid, met name niet, als b.v. om redenen van formeelen aard de eerste navorderingsaanslag is vernietigd, doch zulks niet toelaatbaar is te achten, zoolang tegen de beslissing, waarbij de vernietiging werd uitgesproken, nog rechtsmiddelen kunnen worden aangewend, of, zoo dit reeds is geschied, daaromtrent nog niet eene eindbeslissing is gevallen;
dat een tegenovergestelde opvatting er toe zou leiden, dat, indien bij niet instandhouding in cassatie van de uitspraak in eersten aanleg, de 1ste aanslag hetzij door den Hoogen Raad, hetzij door den Raad van Beroep na verwijzing bij in kracht van gewijsde gegane uitspraak wordt in stand gehouden, en in den twee den navorderingsaanslag, waarbij de voorgeschreven formaliteiten wèl in acht waren genomen, is berust, ter zake van dezelfde feiten twee navorderingsaanslagen nevens elkander zouden blijven bestaan, wat strijdig zou zijn met artikel 82 der Pro wet op de Inkomstenbelasting 1914;
dat bovendien een wijze van handelen, als ten deze door den Inspecteur is gevolgd, medebrengt, dat - al doet zich het bovenomschreven geval niet voor - de belanghebbende krachtens artikel 10 der Pro wet van 22 Mei 1845(Staatsblad No 22) verplicht zoude zijn op beide aanslagen de vervallen termijnen te voldoen, wat zeker ook niet door den Wetgever is gewild;
dat derhalve 's-Raads beslissing, houdende vernietiging van den aanslag, in elk geval juist is, zoodat de vraag, in het cassatiemiddel aan de orde gesteld, of de in zijn uitspraak opgenomen overwegingen die beslissing kunnen dragen, als zonder belang, onbeantwoord kan blijven;
Verwerpt het beroep.
Gedaan bij de Heeren Fentener van Vlissingen, President, Segers, van den Dries, Van Gelein Vitringa en Kirberger, Raden, in bijzijn van den Substituut- Griffier Kist, en door den President voornoemd uitgesproken ter Raadkamer van den twee en twintigsten September 1900 Zes en Twintig.
s vernietigd,