Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:904

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
200.359.872_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:248 BWArt. 6:119 BWArt. 3:13 BWArt. 6:96 BWArt. 441 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake bestuurdersaansprakelijkheid en executie van vonnissen in faillissement Maverick Valves Manufacturing HQ B.V.

In deze zaak staat de executie van vonnissen centraal die bestuurdersaansprakelijkheid vaststellen in het faillissement van Maverick Valves Manufacturing HQ B.V. (HQ). De curator heeft Centenario Holding & Investments B.V., [appellant sub 3] en [appellante sub 4] als bestuurders aansprakelijk gesteld, wat leidde tot vonnissen van 14 mei 2025. MV Nederland B.V. is eveneens veroordeeld tot betaling aan HQ.

MV c.s. vordert in kort geding schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van deze vonnissen en staking van de executie, waaronder het opheffen van beslagen op onroerende zaken en luxe voertuigen. De voorzieningenrechter wees deze vorderingen af, en het hof bekrachtigt dit oordeel. Het hof oordeelt dat er geen nieuwe feiten zijn die rechtvaardigen af te wijken van de eerdere uitvoerbaarheidsverklaring en dat de curator terecht beslag heeft gelegd.

De curator vordert in reconventie de afgifte van de voertuigen, wat eveneens wordt bekrachtigd. Het hof overweegt dat het beslag niet nietig is en dat de dwangsommen terecht zijn opgelegd. De kosten van het hoger beroep worden aan MV c.s. opgelegd. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het verzoek tot schorsing van de executie af, waardoor de curator de executie mag voortzetten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht
zaaknummer 200.359.872/01
arrest in kort geding van 7 april 2026
in de zaak van

1.MV Nederland B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats ] ,

2.
Centenario Holding & Investments B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats ] ,
3.
[appellant sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
4.
[appellante sub 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
hierna aan te duiden als MV, Centenario, [appellant sub 3] en [appellante sub 4] en gezamenlijk als MV c.s.,
advocaat: mr. H.J. School te ’s-Hertogenbosch,
tegen
[persoon A] ,i.z.h.v. curator in het faillissement van
Maverick Valves Manufacturing HQ B.V.,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats ] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Curator,
advocaat: mr. E. van der Kolk te Tilburg.
in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/437735 / KG ZA 25-372 gewezen vonnis van 2 september 2025.

1.De kern van de zaak

1.1.
Centenario, [appellant sub 3] en [appellante sub 4] zijn (indirect) bestuurders van Maverick Valves Manufacturing HQ B.V. (hierna: HQ). MV is een aan HQ gelieerde vennootschap. De Curator heeft Centenario, [appellant sub 3] en [appellante sub 4] als bestuurders van HQ aansprakelijk gesteld. Dit heeft geleid tot een vonnis van 14 mei 2025 waarin Centenario, [appellant sub 3] en [appellante sub 4] zijn veroordeeld tot betaling van (een voorschot op) het boedeltekort aan de Curator. MV is bij vonnis van diezelfde datum veroordeeld tot betaling van een aantal bedragen aan HQ.
1.2.
De curator heeft in ieder geval het Centenario-vonnis betekend en executoriaal beslag gelegd op een aantal onroerende zaken van [appellant sub 3] en [appellante sub 4] en op een Lamborghini en een Ferrari van [appellant sub 3] . In dit kort geding vorderen MV c.s. schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van die vonnissen, staking van de executie en opheffing van beslagen. Het hof wijst de vorderingen van MV c.s. af.

2.Het verloop van de procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 25 september 2025, met de grieven en twee producties;
  • de memorie van antwoord van 4 november 2025, met producties;
  • de rolbeslissing van 2 december 2025 waarbij het hof een mondelinge behandeling heeft gelast;
  • de mondelinge behandeling van 24 februari 2026 en de daarbij in het geding gebrachte producties:
o de brief van 10 december 2025, van de Curator, met producties A t/m M
o de brief van 2 februari 2026, met producties 6 t/m 10 van MV c.s.
o de brief van 3 februari 2025, van de Curator, met productie 45
o de brief van 12 februari 2026, van de Curator, met productie 39
o de brief van 19 februari 2026 van de Curator , met productie 46
o de brief van 20 februari 2026 van de Curator, met producties 47 t/m 50
en de voorgedragen spreekaantekeningen.
2.2.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De feiten

3.1.
Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 5 maart 2024 is HQ in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de Curator als zodanig.
3.2.
Enig bestuurder en enig aandeelhouder van HQ is Centenario. Enig aandeelhouder van Centenario is [appellant sub 3] en enig bestuurders van Centenario zijn [appellant sub 3] en [appellante sub 4] .
3.3.
Enig bestuurder en aandeelhouder van MV is Minerva Holding & Investment B.V. (hierna: Minerva). Enig bestuurder van Minerva is [appellant sub 3] .
3.4.
De Curator heeft vorderingen ingesteld tegen MV op grond van de actio Pauliana en tegen Centenario, [appellant sub 3] en [appellante sub 4] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid.
3.5.
In 2024 heeft de Curator tot zekerheid van zijn vorderingen op MV conservatoir beslag gelegd op de voorraad en het onderhanden werk van MV. Dit beslag is opgeheven omdat MV vervangende zekerheid had gesteld, te weten storting van € 100.000,00 op de derdenrekening van de Curator.
3.6.
In 2024 heeft de Curator ook conservatoir (derden)beslag gelegd ten laste van [appellant sub 3] en [appellante sub 4] onder een aantal Belgische banken en op onroerende zaken in België en Nederland. Ook dit beslag is opgeheven tegen vervangende zekerheid, te weten een recht van eerste hypotheek ten gunste van de Curator op een pand in België van [appellant sub 3] voor een bedrag van € 2.500.000,00 (hierna: het Hypotheekrecht) en een pandrecht ten gunste van de Curator op de vordering van [appellant sub 3] en [appellante sub 4] op de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekeraar (hierna: het Pandrecht). Het Hypotheekrecht en het Pandrecht zijn gevestigd tot zekerheid van de vordering van de Curator op [appellant sub 3] en [appellante sub 4] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. De Curator heeft vervolgens op 24 februari 2025 conservatoir derdenbeslag gelegd onder de bestuurdersaansprakelijkheids-verzekeraar omdat deze zich beriep op een verpandingsverbod in de algemene voorwaarden.
3.7.
In 2025 heeft de Curator conservatoir beslag gelegd op de volgende eigendommen van [appellant sub 3] en [appellante sub 4] , waarbij de vordering van de curator is begroot op € 5.530.000,00:
- onroerende zaak aan de [adres] te [vestigingsplaats ]
- onroerende zaak aan [adres] te [vestigingsplaats ]
- onroerende zaak aan [adres] te [vestigingsplaats ]
- een voertuig, Lamborghini Centenario (Aventador) ( kenteken [nummer] )
- een voertuig, Ferrari ( kenteken [nummer] )
hierna: de onroerende zaken en de voertuigen.
3.8.
Bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 mei 2025 (hierna: het Centenario-vonnis) zijn Centenario, [appellant sub 3] en [appellante sub 4] op grond van artikel 2:248 BW Pro (bestuurdersaansprakelijkheid) hoofdelijk veroordeeld om aan de curator te betalen:
- de schulden van de boedel van HQ, waaronder alle boedelkosten, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, nader op te maken bij staat;
- een voorschot van € 2.000.000,00 op het vast te stellen tekort in het faillissement van HQ, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.9.
Bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 14 mei 2025 (hierna: het MV-vonnis) is MV onder andere veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.800.625,53 en een bedrag van € 48.400,00 aan de curator.
3.10.
In beide vonnissen zijn de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard onder de voorwaarde dat de curator elke opbrengst uit hoofde van de executie van het vonnis op de derdengeldenrekening van het kantoor van de curator overboekt of afstort ten titel van zekerheidstelling totdat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
3.11.
Centenario, [appellant sub 3] en [appellante sub 4] en MV zijn in hoger beroep gegaan tegen het Centenario-vonnis respectievelijk. het MV-vonnis.
3.12.
Op 2 juni 2025 is het Centenario vonnis betekend aan Centenario, [appellant sub 3] en [appellante sub 4] en is bevel gedaan tot betaling van het voorschot van € 2.000.000,00, wettelijke rente en kosten. Er heeft geen betaling plaatsgevonden.
3.13.
Op 14 juli 2025 heeft de Curator executoriaal beslag gelegd op de hiervoor in 3.7 genoemde onroerende zaken en voertuigen.
3.14.
Op 17 juli 2025 is het proces-verbaal van beslaglegging op de Ferrari en Lamborghini overbetekend aan [appellant sub 3] . Hierin wordt gemeld:
“De geëxecuteerde dient binnen 10 dagen na betekening van dit proces-verbaal contact op te nemen met het kantoor van (naam gerechtsdeurwaarder), voor het feitelijk afgeven van het motorvoertuig en de daarbij behorende papieren, voor de verkoop”.

4.Het geschil

4.1.
In eerste aanleg vorderde MV c.s. (samengevat): dat de voorzieningenrechter de uitvoerbaarheid van de twee vonnissen van 14 mei 2025 tussen partijen gewezen, schorst tot het moment dat deze vonnissen in kracht van gewijsde zullen zijn gegaan en de Curator verbiedt de vonnissen van 14 mei 2025 te executeren, voor zover executoriaal beslag is gelegd, dat op te heffen en/of niet voort te zetten, op straffe van een dwangsom, of (subsidiair) indien en voor zover het de Curator niet verboden zou worden om te executeren, om aan executie door de Curator van de vonnissen van 14 mei 2025, de voorwaarde te verbinden dat de curator daaraan voorafgaand als zekerheid, een bankgarantie stelt ter hoogte van € 2.000.000,00, met veroordeling van de Curator in de proceskosten.
4.2.
De Curator heeft in reconventie een tegenvordering ingesteld. De Curator vorderde (samengevat) dat [appellant sub 3] wordt veroordeeld de voertuigen af te geven aan de deurwaarder en dat [appellant sub 3] en [appellante sub 4] worden veroordeeld om informatie te verschaffen over hun bronnen van inkomsten en hun vermogen, steeds op straffe van een dwangsom.
4.3.
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van MV c.s. afgewezen. De tegenvordering van de Curator is gedeeltelijk toegewezen. In het bestreden vonnis is [appellant sub 3] veroordeeld (kort gezegd) om binnen vijf dagen de voertuigen af te geven aan de deurwaarder, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per dag, met een maximum van € 400.000,00.
4.4.
In hoger beroep komt MV c.s. op tegen die beslissingen en vordert (zakelijk weergegeven):
- vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter; en:
primair:
  • de uitvoerbaarheid van de twee vonnissen van 14 mei 2025 te schorsen tot het moment dat deze vonnissen in kracht van gewijsde zullen zijn gegaan, en
  • de Curator te verbieden de vonnissen van 14 mei 2025 te executeren en hem te bevelen om de executie van de vonnissen te staken en, voor zover executoriaal beslag is gelegd, dat op te heffen en/of niet voort te zetten, zulks op straffe van een dwangsom;
subsidiair:
- De uitvoerbaarheid van de twee vonnissen van 14 mei 2025, te schorsen tot het moment dat deze vonnissen in kracht van gewijsde zullen zijn gegaan, op voorwaarde dat [appellant sub 3] binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis een bankgarantie door een Nederlandse of Belgische bank (onder in goede justitie nader vast te stellen condities) stelt ten gunste van de Curator ter hoogte van € 2.000.000,00, als gevolg waarvan de Curator binnen twee dagen na ontvangst van voornoemde bankgarantie overgaat tot opheffing van alle gelegde conservatoire en executoriale beslagen op de onroerende zaken en twee voertuigen, op straffe van een in goede justitie te bepalen dwangsom;
meer subsidiair:
- Indien en voor zover het de curator niet verboden wordt om te executeren, om aan executie door de curator van de vonnissen van 14 mei 2025, de voorwaarde te verbinden dat de curator daaraan voorafgaand als zekerheid, in aanvulling op de voorwaarden die reeds aan executie zijn verbonden in de vonnissen van 14 mei 2025, een bankgarantie stelt met [appellant sub 3] en [appellante sub 4] als begunstigden bij een eersteklas, te goeder naam en faam bekend staande Nederlandse bank ter hoogte van € 2.000.000,00, of een in goede justitie te bepalen bedrag, welke bankgarantie dusdanig moet zijn verwoord dat eisers deze bankgarantie kunnen trekken voor welke schade dan ook als gevolg van die executie, indien later komt vast te staan dat die executie ten onrechte heeft plaatsgevonden.
in reconventie:
- De vorderingen van de Curator alsnog volledig af te wijzen, althans in ieder geval de gevorderde dwangsommen af te wijzen, althans de dwangsommen te matigen;
met veroordeling van de Curator in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.

5.De beoordeling

Gebrek aan belang MV en Centenario
5.1.
De vorderingen in dit kort geding betreffen schorsing van de executie van de vonnissen van 14 mei 2025 en zien feitelijk op staking van de executie en/of het opheffen van beslagen op de onroerende zaken en voertuigen van [appellant sub 3] en [appellante sub 4] . De voorzieningenrechter overwoog in dit verband: “
Er zijn geen argumenten aangevoerd waarom de uitvoerbaarheid van de vonnissen van 14 mei 2025 ten aanzien van Centenario en MV zouden moeten worden geschorst of waarom de executie van deze vonnissen ten laste van Centenario en MV zou moeten worden gestaakt. De vorderingen die zijn ingesteld door Centenario en MV zullen dan ook worden afgewezen wegens gebrek aan belang.” In hoger beroep voert MV c.s. niet meer aan dat een verbod op executie “
ook ten aanzien van Centenario en MV noodzakelijk en redelijk[is],
gezien de (vervangende) zekerheid waarover de Curator al beschikt, althans welke zijn aangeboden.
5.2.
Dat volgens MV c.s. de Curator over (vervangende) zekerheid beschikt dan wel dat dit is aangeboden, is naar het oordeel van het hof onvoldoende voor het aannemen van een rechtens relevant belang voor MV en Centenario. Van concrete of dreigende executiemaatregelen anders dan de betekening van de vonnissen jegens Centenario of MV is het hof in dit kort geding niet gebleken. De voorzieningenrechter heeft de vordering van Centenario en MV zijn door de voorzieningenrechter dan ook terecht afgewezen wegens gebrek aan belang. Het hof zal dit oordeel bekrachtigen. Het hof zal hierna de vorderingen van [appellant sub 3] en [appellante sub 4] en de tegenvordering van de Curator beoordelen.
Spoedeisend belang
5.3.
Het ook in hoger beroep vereiste spoedeisend belang in kort geding van [appellant sub 3] , [appellante sub 4] en de Curator bij hun vorderingen vloeit voort uit de aard van hun vorderingen.
De vorderingen van [appellant sub 3] en [appellante sub 4]
5.4.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof hebben [appellant sub 3] en [appellante sub 4] hun primaire en subsidiaire vordering en de onderlinge verhouding daartussen toegelicht. Volgens [appellant sub 3] en [appellante sub 4] houdt de primaire vordering in schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het Centenario-vonnis, totdat dit vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Subsidiair vorderen zij dat het hof de uitvoerbaarheid bij voorraad van het Centenario-vonnis schorst, onder de voorwaarde dat [appellant sub 3] en [appellante sub 4] een bankgarantie stellen van € 2.000.000,00, waarna de Curator zal overgaan tot het opheffen van alle beslagen op de onroerende zaken en de voertuigen. Meer subsidiair vorderen zij dat aan executie door de Curator van de vonnissen van 14 mei 2025 de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
5.5.
Door de betekening van het Centenario-vonnis aan [appellant sub 3] en [appellante sub 4] op 2 juni 2025 zijn de in 2025 door de Curator gelegde beslagen op de onroerende zaken en voertuigen van [appellant sub 3] en [appellante sub 4] op grond van artikel 704 Rv Pro executoriaal geworden. Daarnaast heeft de Curator op 14 juli 2025 executoriaal beslag gelegd op de onroerende zaken en de voertuigen van [appellant sub 3] en [appellante sub 4] . Voor de beslagen die zijn gelegd tot zekerheid voor de vordering tot betaling van het boedeltekort nader op te maken bij staat, geldt dat deze executoriale beslagen vooralsnog slechts een conservatoir karakter hebben en niet verder ten uitvoer kunnen worden gelegd (zie artikelen 441 lid 2 Rv en 504a lid 2 Rv). De Curator kan dus slechts executiemaatregelen treffen voor de vordering op [appellant sub 3] en [appellante sub 4] tot betaling van een voorschot van € 2.000.000,00.
Schorsen uitvoerbaarheid bij voorraad
5.6.
In zaken zoals deze, waarin hoger beroep is ingesteld tegen een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, is het uitgangspunt dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden (zie: Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (De Zeester)). Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen beslissing is gemotiveerd, moet de eiser, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich pas na de betreffende uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing is afgeweken.
5.7.
Volgens [appellant sub 3] en [appellante sub 4] weegt hun belang bij schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad zwaarder dan het belang van de Curator bij voortzetting van de executie. Ter onderbouwing hiervan hebben zij aangevoerd dat het tekort in het faillissement van HQ lager is dan het door de curator berekende bedrag van € 9.935.673,89 en dat de Curator hiervoor voldoende zekerheid heeft door het Hypotheekrecht. Hierbij komt volgens [appellant sub 3] en [appellante sub 4] dat de onroerende zaken slechts een beperkte overwaarde hebben, dat executoriale verkoop van de woning in strijd met artikel 8 EVRM Pro is en dat de voertuigen vanwege het exclusieve karakter ervan ongeschikt zijn voor een executoriale verkoop. Executoriale verkoop van de voertuigen leidt tot grote schade, omdat de voorwaarde die de rechtbank aan executie van het Centenario-vonnis heeft verbonden er slechts voor zorgt dat [appellant sub 3] een deel van de waarde van de voertuigen terugkrijgt. Executoriale verkoop van de voertuigen zou bovendien onherstelbare gevolgen hebben omdat [appellant sub 3] bij een gunstige afloop voor hem van het hoger beroep tegen het Centenario-vonnis nooit in staat zal zijn een zelfde voertuig terug te kopen. Ten slotte hebben [appellant sub 3] en [appellante sub 4] in hoger beroep aangevoerd dat zij de Curator een bankgarantie van € 2.000.000,00 hebben aangeboden onder de voorwaarde dat de Curator alle beslagen opheft.
5.8.
[appellant sub 3] en [appellante sub 4] voeren aan dat de argumenten die zij aandragen, geen deel uitmaakten van het partijdebat in de bodemzaak en dus door de rechtbank niet betrokken zijn bij de beoordeling van de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad. “
De beslissing over uitvoerbaarheid bij voorraad is dus in die zin niet gemotiveerd in de uitspraak.”, aldus [appellant sub 3] en [appellante sub 4] . Het hof volgt [appellant sub 3] en [appellante sub 4] daarin niet. De Curator heeft in de bodemzaak de uitvoerbaarheid bij voorraad van de veroordelingen gevorderd, door [appellant sub 3] en [appellante sub 4] is daartegen verweer gevoerd. De rechtbank overwoog:

De rechtbank zal het vonnis hierna uitvoerbaar bij voorraad verklaren onder de voorwaarde dat de curator zekerheid stelt voor elke opbrengst die hij uit hoofde van de executie van dit vonnis ontvangt. De door de curator te stellen zekerheid bestaat hieruit dat deze opbrengst(-en) op de Rabobankrekening van de ' [stichting X] ' te [vestigingsplaats ] dient te worden overgeboekt of afgestort. Hierdoor is het restitutierisico voldoende geëcarteerd en is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs niet langer bezwaar kan bestaan tegen de uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring van dit vonnis.
Dat is een gemotiveerde beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad, zodat in dit kort geding de uitvoerbaarheid bij voorraad alleen opgeheven kan worden als er feiten en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd aan de vordering, die bij de door die rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na diens uitspraak hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
5.9.
De feiten en omstandigheden die [appellant sub 3] en [appellante sub 4] nu aanvoeren, inclusief het feit dat er een recht van hypotheek gevestigd is op de woning in België en de omstandigheden waarop [appellant sub 3] en [appellante sub 4] het beroep op artikel 8 EVRM Pro baseren, dateren allemaal van voor de vonnissen van de rechtbank van 14 mei 2025. Deze omstandigheden hadden daarom allemaal bij de rechtbank in de Centenario zaak aangevoerd kunnen en moeten worden en kunnen daarom in dit hoger beroep niet tot toewijzing van de vorderingen van [appellant sub 3] en [appellante sub 4] leiden. Nieuwe relevante feiten en omstandigheden die dateren van na de uitspraak in de Centenario-zaak zijn gesteld noch gebleken, met uitzondering van de omstandigheid dat [appellant sub 3] en [appellante sub 4] de Curator een bankgarantie hebben aangeboden. Deze omstandigheid is echter onvoldoende om te leiden tot toewijzing van de vorderingen van [appellant sub 3] en [appellante sub 4] (zie rov. 5.15 hierna).
5.10.
Ook inhoudelijk kunnen de argumenten van [appellant sub 3] en [appellante sub 4] niet tot toewijzing van de vorderingen leiden. Het hof volgt [appellant sub 3] en [appellante sub 4] niet in hun redenering dat het tekort in het faillissement van HQ veel lager is dan het door de Curator becijferde bedrag. De curator heeft het tekort in het faillissement van HQ per 21 januari 2026 berekend op € 9.935.673,89. [appellant sub 3] en [appellante sub 4] komen tot een andere, veel lagere berekening. Wat betreft het passief gaan [appellant sub 3] en [appellante sub 4] er daarbij vanuit dat het logisch is dat de concurrente vordering van € 3.243.940,00 van een aan [appellant sub 3] gelieerde vennootschap zal worden ingetrokken op het moment dat eventueel zou worden toegekomen aan vergoeding door hen van het tekort in het faillissement van HQ. Vast staat echter dat deze vordering is opgenomen in het door de Curator overgelegde proces-verbaal van de verificatievergadering en tot op heden niet is ingetrokken. Het hof ziet dan ook geen aanleiding het bedrag van deze vordering in het kader van deze procedure in mindering te brengen op het door de Curator berekende tekort. Wat betreft de preferente vordering van de Belastingdienst van circa € 6.000.000,00 hebben [appellant sub 3] en [appellante sub 4] aangevoerd dat deze voor meer dan de helft bestaat uit schulden die zijn ontstaan door de coronacrisis en de uitstelregeling die aan een groot deel van de Nederlandse ondernemingen worden kwijtgescholden en waarover zij in overleg willen met de Belastingdienst. Dit is door [appellant sub 3] en [appellante sub 4] echter op geen enkele wijze onderbouwd. Het argument van mogelijke kwijtschelding is dus vooralsnog louter speculatief. Ook op dit punt ziet het hof dan ook geen enkele aanleiding om in het kader van deze procedure te komen tot aanpassing van de berekening van het tekort door de Curator.
5.11.
[appellant sub 3] en [appellante sub 4] hebben voorts aangevoerd dat de boedel van HQ nog uit te winnen baten bevat. Hierbij doelen zij op de vordering van de Curator op MV uit hoofde van het MV-vonnis van ruim € 2,8 miljoen en de vordering op de bestuurdersaansprakelijkheids-verzekeraar van € 2.500.000,00 waarop de Curator een pandrecht heeft en waarop hij beslag heeft gelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant sub 3] echter verklaard dat MV niet in staat is om aan het MV-vonnis te voldoen, terwijl bovendien vast staat dat de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar dekking weigert. Ook wat betreft het actief ziet het hof dan ook geen aanleiding om in het kader van deze procedure te komen tot aanpassing van de berekening van het tekort door de Curator. Dat [appellant sub 3] en [appellante sub 4] voornemens zijn tegen de dekkingsweigering van de verzekeraar te ageren, leidt niet tot een andere conclusie.
5.12.
Het betoog van [appellant sub 3] en [appellante sub 4] dat de Curator genoeg heeft aan het Hypotheekrecht ter waarde van € 2.500.000,00 omdat het tekort in het faillissement van HQ niet hoger zal zijn dan dit bedrag, en hij dus geen belang heeft bij executie van Centenario-vonnis en de beslagen op de onroerende zaken, gaat in het licht van het voorgaande niet op. Dat [appellant sub 3] en [appellante sub 4] een bankgarantie van € 2.000.000,00 hebben aangeboden, leidt niet tot een andere conclusie. Ook dan is er immers onvoldoende dekking voor het door de Curator berekende tekort in het faillissement van HQ. Het voorstel tot het stellen van zekerheid is ook steeds gedaan onder de voorwaarde dat alle gelegde beslagen zouden worden opgeheven. Bovendien heeft [appellant sub 3] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat sinds het aanbod is gedaan, de situatie is gewijzigd, in die zin dat het niet zeker is dat hij over de financiële middelen kan beschikken om de bankgarantie te financieren. Van een concreet aanbod tot het stellen van een bankgarantie is dus geen sprake.
5.13.
Voorts is van belang dat de Curator tijdens de mondelinge behandeling heeft toegezegd dat hij de onroerende zaken in Oisterwijk en Capelle aan de IJssel niet zal executeren totdat dit hof eindarrest heeft gewezen in het hoger beroep van het Centenario-vonnis.
5.14.
Het feit dat als de voertuigen worden verkocht én in hoger beroep blijkt dat [appellant sub 3] niet aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement van HQ, hij waarschijnlijk niet opnieuw een Lamborghini Centenario zal kunnen kopen, is naar het oordeel van het hof niet zwaarwegend genoeg. Uitgangspunt is immers dat een schuldeiser zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar kan verhalen, ook op zeldzame objecten, en dat een veroordeling ook hangende een hoger beroep uitvoerbaar is. Dit geldt ook indien de executieopbrengst waarschijnlijk lager is dan de waarde van de voertuigen. Overigens geldt dat onderhandse verkoop ook in het executietraject nog mogelijk is, om (mogelijk) een hogere opbrengst dan bij een executoriale veiling te realiseren.
5.15.
Wat betreft het argument van [appellant sub 3] en [appellante sub 4] dat zij de Curator een bankgarantie van € 2.000.000,00 hebben aangeboden en dat om die reden de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot betaling van een voorschot van € 2.000.000,00 moet worden geschorst, geldt dat dit aanbod onvoldoende concreet is (zie 5.12 hiervoor) en het aanbod bovendien niet onvoorwaardelijk is. [appellant sub 3] en [appellante sub 4] hebben aan dit aanbod de voorwaarde verbonden dat de Curator in ruil voor de bankgarantie alle beslagen opheft (zie de subsidiaire vordering). Hiervoor is echter reeds overwogen dat naar het voorshandse oordeel van het hof de Curator het tekort in het faillissement terecht heeft berekend op € 9.935.673,89. Dit maakt dat van de Curator redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij in ruil voor de bankgarantie niet alleen de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot betaling van het voorschot staakt, maar ook alle beslagen opheft. Deze beslagen dienen immers (ook) tot zekerheid van de vordering van de Curator op [appellant sub 3] en [appellante sub 4] tot betaling van het boedeltekort (zie rov. 5.5. hiervoor).
5.16.
Dit alles maakt dat het hof van oordeel is dat er geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die maken dat de uitvoerbaarheid bij voorraad van het Centenario-vonnis moet worden geschorst, ook niet onder de voorwaarde dat [appellant sub 3] en [appellante sub 4] een bankgarantie van € 2.000.000,00 stellen.
Stellen van zekerheid
5.17.
[appellant sub 3] en [appellante sub 4] . stelt dat zij schade zullen lijden door de executie, met name doordat de opbrengst bij executoriale verkoop van de voertuigen lager zal zijn dan de dagwaarde ervan en dat zij in geen geval in staat zullen zijn dergelijke voertuigen opnieuw aan te schaffen. [appellant sub 3] en [appellante sub 4] vorderen daarom dat de Curator gehouden zal zijn om niet alleen de opbrengst op een derdenrekening te storten, zoals door de rechtbank in het Centenario-vonnis in de bodemzaak is beslist, maar dat de Curator ook veroordeeld zal worden om zekerheid te stellen voor aanvullende schade, als voorwaarde voor verdere tenuitvoerlegging.
5.18.
Ook deze vordering zal het hof afwijzen. Van feiten en omstandigheden die zich pas na het Centenario-vonnis hebben voorgedaan is immers geen sprake, terwijl dit op grond van de hiervoor in 5.6 weergegeven maatstaf wel is vereist. Hier komt bij dat het feit dat [appellant sub 3] mogelijk geen vergelijkbare voertuigen terug zal kunnen kopen, niet zonder meer leidt tot vermogensschade in de zin van 6:96 BW. Bovendien geldt dat onderhandse verkoop ook in het executietraject nog mogelijk is.
Geen opheffing van de beslagen
5.19.
Als onderdeel van de primaire en subsidiaire vordering, vorderen [appellant sub 3] en [appellante sub 4] dat de Curator de gelegde beslagen opheft. [appellant sub 3] en [appellante sub 4] voeren aan dat de vorderingen waarvoor hypothecaire zekerheden gevestigd zijn op de woningen, de waarde bij executieverkoop ervan overtreffen, zodat de beslagen op de woningen niets zullen opbrengen en daarom opgeheven moeten worden. De beslagen op de voertuigen moeten opgeheven worden, omdat bij verkoop ervan [appellant sub 3] en [appellante sub 4] schade zullen lijden, aldus – steeds – [appellant sub 3] en [appellante sub 4] .
5.20.
Het hof ziet geen grond voor het opheffen van de gelegde beslagen. Het opheffen van een executoriaal beslag is mogelijk als (in dit geval) de Curator misbruik van recht maakt door de wijze van executie. Van misbruik van recht (art. 3:13 BW Pro) is onder meer sprake als de Curator zijn bevoegdheden uitoefent met geen ander doel dan [appellant sub 3] en [appellante sub 4] te schaden of in geval de Curator, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening van de Curator en het belang van [appellant sub 3] en [appellante sub 4] dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Daarvan is in dit geval geen sprake, zo volgt uit de belangenafweging hiervoor (rov. 5.10-5.16).
Verbieden executie
5.21.
Als onderdeel van de primaire (maar niet de subsidiaire) vordering, vorderen [appellant sub 3] en [appellante sub 4] ook dat het hof de Curator verbiedt de vonnissen van 14 mei 2025 te executeren. Het verbieden van de executie is mogelijk als de Curator jegens [appellant sub 3] en [appellante sub 4] onrechtmatig handelt of misbruik van recht maakt door de wijze van executie. Ook daarvoor ziet het hof onvoldoende grond, gelet op het voorgaande.
In reconventie in dit kort geding: de afgifte van de voertuigen
5.22.
De Curator heeft in reconventie in dit kort geding gevorderd dat [appellant sub 3] wordt veroordeeld om – op straffe van een dwangsom – de voertuigen waar beslag op is gelegd, af te geven aan de deurwaarder. De voorzieningenrechter heeft die vordering toegewezen. In dit hoger beroep voert [appellant sub 3] aan dat deze veroordeling – inclusief de daaraan verbonden dwangsom – moet worden vernietigd.
5.23.
Volgens [appellant sub 3] is het door de deurwaarder gelegde beslag op de voertuigen nietig omdat het proces-verbaal niet volledig is. Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 442 Rv Pro lid 1 onder e moet in het proces-verbaal van de deurwaarder, op straffe van nietigheid, opgenomen zijn: “
instructies inzake het afgeven van het motorrijtuig[…]
aan de deurwaarder ten behoeve van de executie.”. In het proces-verbaal staat dat [appellant sub 3] diende “
contact op te nemen met het kantoor van (naam gerechtsdeurwaarder)”. Dat de naam van de deurwaarder niet is ingevuld, levert geen nietigheid op. In de kop van het proces-verbaal staat de naam van de gerechtsdeurwaarder vermeld ( [persoon B] ) en het proces-verbaal is gedrukt op het briefpapier van Flanderijn Gerechtsdeurwaarders en bevat contactgegevens (bezoekadres, een telefoonnummer en een emailadres) van Flanderijn Gerechtsdeurwaarders. Het proces-verbaal bevat dus de instructies inzake het afgeven van het motorrijtuig, namelijk dat [appellant sub 3] contact op moet nemen met Flanderijn Gerechtsdeurwaarders, het kantoor van [persoon B] , en die instructie is voldoende duidelijk. De voorzieningenrechter heeft [appellant sub 3] dan ook terecht – op straffe van een dwangsom – veroordeeld tot het afgeven van de voertuigen. Dat de in het vonnis gegeven termijn van vijf dagen na betekening van het vonnis om de voertuigen af te geven te kort zou zijn, is niet onderbouwd. Met name is niet gesteld welke concreet probleem daaraan in de weg zou staan anders dan dat de voertuigen zich in het buitenland zouden bevinden, waardoor [appellant sub 3] de voertuigen niet binnen die termijn zou kunnen inleveren. Bovendien is niet gebleken dat [appellant sub 3] een serieuze poging heeft gedaan om de voertuigen inderdaad in te leveren. Het hof ziet ook geen grond om de dwangsommen af te wijzen of te matigen. Het hof zal ook op deze punten het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigen.
Conclusie
5.24.
De grieven van MV c.s. slagen niet. Het hof zal het vonnis van de voorzieningenrechter van 2 september 2025 bekrachtigen.
5.25.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Curator worden vastgesteld op:
- griffierecht
362,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × appeltarief II)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals in de beslissing vermeld)
- totaal:
3.131,00

6.De uitspraak

Het hof, recht doende in kort geding:
6.1.
bekrachtigt het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/437735 / KG ZA 25-372 gewezen vonnis van 2 september 2025;
6.2.
veroordeelt MV c.s. hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van de Curator vastgesteld op € 3.131,00, te betalen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en, als MV c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, te vermeerderen met € 98,00 en de kosten van betekening;
6.3.
veroordeelt MV c.s. hoofdelijk in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan,
6.4.
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, R.A. van der Pol en O.G.H. Milar en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 april 2026.
griffier rolraadsheer