II.Verzoeken tot het horen van getuigen
Door de verdediging is verzocht vierentwintig personen als getuige te horen. Het hof overweegt ten aanzien van de verzochte getuigen als volgt.
a.
[persoon 1]
Door de verdediging is verzocht [persoon 1] als getuige te horen. [persoon 1] is werkzaam bij de Belastingdienst als klantencoördinator en heeft, blijkens het document ‘Verloop Rabarber’ een coördinerende rol gehad in het opstarten van het boekenonderzoek, het contact met het RIEC, de FIOD en het Openbaar Ministerie. Zij kan aldus verklaren over de precieze rol van het RIEC in de aanleiding van het strafrechtelijke onderzoek alsmede de sfeerovergang.
Het verzoek tot het horen van [persoon 1] wordt door het hof toegewezen. Het horen van de getuige van worden verwezen naar de raadsheer-commissaris.
b.[persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5]
Door de verdediging is verzocht [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] als getuige te horen. Alle vier zijn zij werkzaam bij de Belastingdienst. [persoon 2] is vanaf het begin betrokken geweest bij het boekenonderzoek naar de verdachten en kan verklaren over de aanleiding van het strafrechtelijke onderzoek en ten aanzien van het onder de feiten 1 en 2 tenlastegelegde over de communicatie met de Belastingdienst. [persoon 3] is de contactambtenaar geweest tussen het RIEC en de Belastingdienst. [persoon 3] kan de rol van het RIEC in het onderhavige strafrechtelijke onderzoek nader toelichten alsook de aanleiding van het strafrechtelijke onderzoek. [persoon 4] is blijkens het preweegdocument bij het onderzoek betrokken geweest als controlerend ambtenaar. Zij heeft kennelijk feiten vastgesteld en was betrokken bij de sfeerovergang in dit dossier.
[persoon 5] heeft e-mailcontact gehad over de afstemming van aanslagen en boetes en wordt genoemd als boetefraudecoördinator in het preweegdocument van 8 oktober 2018. Zij is aldus, vanaf het begin, nauw betrokken geweest bij het onderzoek.
Het verzoek tot het horen van [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] wordt afgewezen, omdat het hof het horen van deze personen als getuige niet relevant acht voor de beantwoording van enige in de strafzaak te nemen beslissing ingevolge de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Door het niet-horen van deze getuigen wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad, gelet op de procedure in het geheel.
c.[persoon 6]
Door de verdediging is verzocht [persoon 6] als getuige te horen, nu zij belastend heeft verklaard over de verdachten. Het belang bij het horen van deze getuige dient dan ook te worden voorondersteld.
Dit verzoek wordt door het hof afgewezen, omdat [persoon 6] op 17 maart 2021 onder leiding van de rechter-commissaris als getuige is gehoord door de FIOD, in het bijzijn van de raadsman van de verdachte, mr. Hendriks. Mr. Hendriks is bij gelegenheid van dit verhoor in de gelegenheid gesteld vragen te stellen aan de getuige, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt. Naar het oordeel van het hof is door de verdediging onvoldoende onderbouwd waarom de getuige opnieuw dient te worden gehoord. Bovendien acht het hof het aanvullend horen van de getuige niet relevant voor de beantwoording van enige in de strafzaak te nemen beslissing ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv. Door het niet-horen van de getuige wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad, gelet op de procedure in het geheel.
d.[persoon 7] , [persoon 8] en [persoon 9]
Door de verdediging is verzocht [persoon 7] , [persoon 8] en [persoon 9] als getuige te horen. Zij waren werkzaam op [groep bedrijven] . Zij hebben belastend over de verdachten verklaard en kunnen volgens de verdediging verklaren over de omvang van de vermeende rangerverhuur en de daarmee samenhangende kosten.
Het hof overweegt als volgt.
[persoon 7] is op 6 oktober 2020 onder leiding van de rechter-commissaris als getuige gehoord door de FIOD, in het bijzijn van de raadsman van de verdachte. De raadsman van de verdachte is bij dit verhoor in de gelegenheid gesteld vragen te stellen aan de getuige. Naar het oordeel van het hof is door de verdediging onvoldoende onderbouwd waarom de getuige opnieuw dient te worden gehoord, zodat het verzoek tot het horen van getuige [persoon 7] wordt afgewezen.
Het verzoek tot het horen van de partner van [persoon 7] – [persoon 8] – en de dochter van [persoon 7] – [persoon 9] – wordt door het hof eveneens afgewezen, nu [persoon 7] reeds onder leiding van de rechter-commissaris als getuige is gehoord, en door de verdediging onvoldoende is onderbouwd waarom naast [persoon 7] ook nog [persoon 8] en [persoon 9] als getuige dienen te worden gehoord. Het hof acht het horen van deze getuigen bovendien niet relevant voor de beantwoording van enige in de strafzaak te nemen beslissing ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv. Door het niet-horen van de getuigen wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad, gelet op de procedure in het geheel.
e.[persoon 10]
Door de verdediging is verzocht [persoon 10] als getuige te horen. [persoon 10] is sinds 2013 werkzaam als vrijwilliger bij [groep bedrijven] , verbleef op park [park 1] en heeft eerder een belastende verklaring afgelegd.
Dit verzoek wordt door het hof afgewezen, omdat het hof het horen van [persoon 10] als getuige niet relevant acht voor de beantwoording van enige in de strafzaak te nemen beslissing ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv. Door de verdediging is bovendien niet gemotiveerd welke onderdelen van de verklaring van [persoon 10] worden betwist. Door het niet-horen van de getuige wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad, gelet op de procedure in het geheel.
f.[persoon 11]
Door de verdediging is verzocht [persoon 11] als getuige te horen. [persoon 11] is sinds 2013 werkzaam bij [groep bedrijven] als [functie 1] voor [bedrijf 2] en heeft eerder belastende verklaringen afgelegd, welke door de rechtbank ter motivering van het vonnis zijn gebruikt. Het belang bij het horen van deze getuige dient dan ook te worden voorondersteld.
Het hof overweegt als volgt.
[persoon 11] is op 1 december 2020 onder leiding van de rechter-commissaris als getuige gehoord door de FIOD. De raadsman van de verdachte was bij dit verhoor aanwezig. Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat deze getuige niet of nauwelijks belastend heeft verklaard. Door de verdediging is in de appelschriftuur de verklaring van [persoon 11] geciteerd, voor zover inhoudende dat zij nooit heeft gevraagd wat de term ‘ranger’ betekent, dat accommodaties niet verhuurd konden worden voor [bedrijf 2] als er een ranger in zat en dat rangers niet vermeld werden in het reserveringssysteem. Dat rangers niet werden geregistreerd in het reserveringssysteem, wordt blijkens de in eerste aanleg ingebrachte schriftelijke verklaring van de verdachte niet betwist. Naar het oordeel van het hof is dan ook onvoldoende onderbouwd welke onderdelen van de verklaring van [persoon 11] door de verdediging worden betwist. Het hof is dan ook van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd waarom [persoon 11] opnieuw dient te worden gehoord. Bovendien acht het aanvullend horen van de getuige niet relevant voor de beantwoording van enige in de strafzaak te nemen beslissing ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv. Het verzoek tot het horen van [persoon 11] als getuige wordt dan ook afgewezen. Door het niet-horen van de getuige wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad, gelet op de procedure in het geheel.
g.[persoon 12]
Door de verdediging is verzocht [persoon 12] als getuige te horen. [persoon 12] was vanaf 2017 werkzaam als [functie 2] van [groep bedrijven] . De verdediging wenst hem te horen over zijn afgelegde belastende verklaringen over de status van de administratie van de verdachten.
Het hof overweegt als volgt.
[persoon 12] is op 30 maart 2021 onder leiding van de rechter-commissaris als getuige gehoord door de FIOD. De raadsman van de verdachte was bij dit verhoor aanwezig. Aan de raadsman is uitdrukkelijk gevraagd of hij vragen aan de getuige had, waarop de raadsman te kennen heeft gegeven dat hij geen vragen had aan de getuige. Bovendien is door de verdediging niet aangegeven welke onderdelen van zijn, door de rechtbank tot het bewijs gebezigde, verklaring worden betwist. Het hof is dan ook van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd waarom [persoon 12] opnieuw dient te worden gehoord. Bovendien acht het aanvullend horen van de getuige niet relevant voor de beantwoording van enige in de strafzaak te nemen beslissing ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv. Het hof wijst het verzoek tot het horen van [persoon 12] als getuige dan ook af. Door het niet-horen van de getuige wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad, gelet op de procedure in het geheel.
h.[verbalisant 1]
Door de verdediging is verzocht [verbalisant 1] , opsporingsambtenaar bij de Belastingdienst/FIOD, als getuige te horen. [verbalisant 1] heeft de nadeelberekening opgesteld en gelet op die belastende verklaring wenst de verdediging hem als getuige te horen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad een verzoek tot het horen van een deskundige die een voor de verdachte – bezien in samenhang met de overige resultaten van het onderzoek – belastend schriftelijk verslag heeft opgesteld, niet op gelijke wijze moet worden beoordeeld als een verzoek tot het horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd. Hetgeen de Hoge Raad heeft geformuleerd met betrekking tot de beoordeling van verzoeken tot het horen van getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd, vindt op dergelijke verzoeken niet onverkort toepassing. Een verzoek tot het oproepen en het horen van een deskundige moet in de regel worden gemotiveerd, waarbij van de verdediging mag worden verlangd dat wordt toegelicht welke onderdelen van het verrichte onderzoek en/of van de over dat onderzoek opgestelde of afgelegde verklaring zij wil toetsen door middel van het horen van de deskundige. Het voorgaande geldt ook als een verzoek wordt gedaan tot het oproepen en horen als getuige van een opsporingsambtenaar die technisch opsporingsonderzoek heeft verricht, dat wil zeggen opsporingsonderzoek waarvoor een zekere mate van specifieke of bijzondere kennis is vereist.
Het hof is gelet op het voorgaande, anders dan de verdediging, van oordeel dat [verbalisant 1] niet is aan te merken als een Keskin-getuige. Nu door de verdediging niet is onderbouwd welke onderdelen van het door [verbalisant 1] verrichte onderzoek en/of het door hem over dat onderzoek opgestelde proces-verbaal de verdediging door middel van het horen van [verbalisant 1] wenst te toetsen, is het hof van oordeel dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd. Het verzoek tot het horen van [verbalisant 1] als getuige wordt dan ook afgewezen. De stelling van de verdediging dat verbalisant [verbalisant 1] bepaalde aspecten niet heeft meegenomen in zijn berekening kan worden getoetst aan de inhoud van die berekening. Het staat de verdediging uiteraard vrij om aan te geven welke elementen alsnog betrokken moeten worden bij het rekenwerk zodat het hof dit tijdens de inhoudelijke behandeling aan de orde kan stellen.
i.
[persoon 13]
De verdediging heeft verzocht [persoon 13] als getuige te horen. [persoon 13] is coördinator bij het RIEC Brabant-Zeeland en gelet op die coördinerende rol is zij voor de verdediging het enige aanspreekpunt binnen het RIEC.
Dit verzoek wordt door het hof afgewezen, nu het hof van oordeel is dat door de verdediging onvoldoende is onderbouwd waarom [persoon 13] als getuige dient te worden gehoord. Het hof verwijst in dit verband voorts naar hetgeen hiervoor reeds is overwogen ten aanzien van het verzoek om voeging van de RIEC-stukken over rol van het RIEC bij deze zaak.
j.[persoon 14] en [persoon 15]
Door de verdediging is verzocht [persoon 14] en [persoon 15] als getuige te horen. Beiden waren zij werkzaam bij [bedrijf 3] , het voormalig belastingadvieskantoor van de verdachten. De verdediging wenst [persoon 14] te horen over de volledigheid van de administratie en het verstrekken van inlichtingen. [persoon 15] was als [functie 3] van de verdachten nauw betrokken bij de administratie en het verstrekken van inlichtingen. Mogelijk kunnen [persoon 14] en [persoon 15] de verwijten in het juiste perspectief plaatsen en de gang van zaken toelichten.
Het hof overweegt als volgt.
[persoon 14] is op 2 december 2020 onder leiding van de rechter-commissaris als getuige gehoord door de FIOD. De raadsman van de verdachte was bij dit verhoor aanwezig. Aan de raadsman is uitdrukkelijk gevraagd of hij vragen aan de getuige had, waarop de raadsman te kennen heeft gegeven dat hij geen vragen had aan de getuige. Bovendien is door de verdediging thans onvoldoende gemotiveerd aangegeven wat deze getuigen in het licht van de tenlastegelegde feiten zouden kunnen verklaren, dan wel waarom het horen van deze getuigen van belang is voor enige op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Het verzoek tot het horen van [persoon 14] en [persoon 15] als getuige wordt dan ook afgewezen. Door het niet-horen van deze getuigen wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad.
k.[persoon 16]
Door de verdediging is verzocht [persoon 16] als getuige te horen. [persoon 16] is [functie 4] van [bedrijf 4] ., eigenaar van het softwareprogramma [reserveringssysteem] , dat door de verdachten werd gebruikt voor de reserveringen op de parken. [persoon 16] heeft eerder verklaard over de werking van het reserveringssysteem. De werking van het systeem speelt een cruciale rol in de verdenkingen omtrent de volledigheid van de administratie en het verstrekken van inlichtingen, reden waarom het horen van [persoon 16] volgens de verdediging onontbeerlijk is voor de verdachten.
Het hof overweegt als volgt.
[persoon 16] is – zoals de verdediging zelf ook al aangeeft – reeds als getuige gehoord door de FIOD. Door de verdediging is niet onderbouwd waarom deze getuige aanvullend dient te worden gehoord. Het hof acht ook ambtshalve het aanvullend horen van deze getuige niet relevant voor de beantwoording van enige in de strafzaak te nemen beslissing ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv. Het verzoek tot het horen van [persoon 16] als getuige wordt dan ook afgewezen. Door het niet-horen van de getuige wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad.
l.[persoon 17] , [persoon 18] , [persoon 19] , [persoon 20] , [persoon 21] , [persoon 22] en [persoon 23]
Door de verdediging is verzocht zaaksofficier van justitie [persoon 17] , geheimhoudersofficier van justitie [persoon 18] , geheimhoudersmedewerker [persoon 20] , parketsecretaris [persoon 21] , teamleider van de FIOD [persoon 22] en [persoon 23] van de FIOD als getuige te horen.
Ter onderbouwing van dit verzoek is door de verdediging – kort gezegd – aangevoerd dat sprake is van een inbreuk op het verschoningsrecht en dat daaromtrent nog altijd veel onduidelijkheid is. Bij de inval door de FIOD is de administratie van de verdachten in beslag genomen, waaronder ook correspondentie met verschoningsgerechtigden zoals advocaten en notarissen. Onder de inbeslaggenomen ordners bevonden zich in ieder geval drie gele ordners met daarop ‘vertrouwelijke advocaat correspondentie’, die niet terug zijn gegeven. Uit het proces-verbaal inzake het filteren van de stukken blijkt niet hoe met het verschoningsgerechtigd materiaal is omgegaan. Voorts is niet uit te sluiten dat een bij het opsporingsonderzoek betrokken opsporingsambtenaar of officier van justitie kennis heeft genomen van geprivilegieerde gegevens. Uit de beschikbare stukken blijkt niet wie welke rol heeft vervuld, welke vertrouwelijke informatie daarbij is ingezien en hoe vervolgens is gewaarborgd dat deze kennis niet bij het onderzoeksteam van de FIOD en het Openbaar Ministerie terecht is gekomen.
Het hof overweegt als volgt.
Op 21 mei 2019 heeft een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden op het hoofdkantoor van [groep bedrijven] aan [adres] . Bij deze doorzoeking is administratie in beslag genomen. Door de verbalisanten is een lijst opgesteld waarop is vermeld welke voorwerpen, zoals ordners, hangmappen en (archief)dozen, in beslag zijn genomen
(dossierpagina 3818 tot en met 4017). Blijkens het proces-verbaal teruggaaf inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 2 augustus 2021
(dossierpagina 933)is de op het hoofdkantoor van [groep bedrijven] inbeslaggenomen administratie op 20 juli 2021 teruggegeven aan [medeverdachte 2] . Hiervan is een ontvangstbewijs opgemaakt waarop alle teruggegeven voorwerpen zijn vermeld
(dossierpagina 4020 tot en met 4109). Dit ontvangstbewijs is door [medeverdachte 2] ondertekend.
Het verzoek tot het horen van de zaaksofficier van justitie [persoon 17] en parketsecretaris [persoon 21] wordt afgewezen. Het Openbaar Ministerie verantwoordt zich bij monde van de behandelend advocaat-generaal ter terechtzitting. Eventuele vragen kunnen aan de advocaat-generaal gericht worden.
Ten aanzien van de geheimhouderskwestie overweegt het hof dat duidelijk is de omgang met de geheimhoudersinformatie anders is gelopen dan volgens de huidige standaarden. Het hof zal zich beraden over de gevolgen die daaraan verbonden moeten worden. Er zijn echter geen aanwijzingen dat er geheimhoudersinformatie is betrokken in het onderzoek. Het hof ziet dan ook geen redenen om daarover betrokkenen te horen. Het verzoek om de teamleider van de FIOD [persoon 22] en [persoon 23] van de FIOD als getuige te horen wordt dan ook afgewezen.
Het hof ziet, gelet op hetgeen ter terechtzitting door de verdediging naar voren is gebracht, wel aanleiding om een aanvullend proces-verbaal op te laten maken waarin zo gedetailleerd mogelijk wordt beschreven welke administratie er bij de doorzoeking ter inbeslagneming op het hoofdkantoor van [groep bedrijven] d.d. 21 mei 2019 in beslag is genomen, en wat er op 20 juli 2021 terug is gegeven aan administratie. Daarbij dient in het bijzonder aandacht te worden besteed aan het aantal (gele) ordners en de ordners met opschriften die kunnen verwijzen naar correspondentie met geheimhouders. Het hof ziet vooralsnog in afwachting van het aanvullend proces-verbaal geen aanleiding om de geheimhoudersofficier van justitie [persoon 18] en de geheimhoudersmedewerker [persoon 20] als getuige te horen.