Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:884

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
20-001132-25
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 315 SvArt. 415 SvArt. 149a SvArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing op onderzoekswensen en verzoeken tot getuigenverhoor in strafzaak Rabarber60

In de strafzaak Rabarber60 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 2 april 2026 uitspraak gedaan over diverse verzoeken van de verdediging. Deze verzoeken betroffen onder meer het voegen van stukken, het horen van getuigen en het opstellen van een reclasseringsrapport.

Het hof overwoog dat voeging van stukken alleen plaatsvindt indien deze relevant zijn voor beslissingen op grond van artikelen 348 en 350 Sv. De verzoeken tot voeging van RIEC-stukken en andere interne correspondentie werden afgewezen omdat deze niet relevant werden geacht. Ook het verzoek om een overzichtsproces-verbaal toe te voegen werd afgewezen, aangezien reeds aan de wettelijke eisen was voldaan.

Ten aanzien van de getuigenverzoeken wees het hof de meeste verzoeken af, omdat de getuigen reeds gehoord waren, onvoldoende relevantie hadden of de verdediging onvoldoende had onderbouwd waarom hernieuwd horen noodzakelijk was. Slechts het verzoek tot het horen van één getuige werd toegewezen. Het verzoek om een reclasseringsrapport werd eveneens afgewezen.

Het hof besloot het onderzoek te schorsen tot een nader te bepalen datum en gaf opdracht tot het opstellen van een aanvullend proces-verbaal over de inbeslaggenomen en teruggegeven administratie, met bijzondere aandacht voor ordners met mogelijke correspondentie met geheimhouders. De overige verzoeken van de verdediging werden afgewezen.

Uitkomst: De meeste verzoeken van de verdediging worden afgewezen, het onderzoek wordt geschorst en een aanvullend proces-verbaal wordt opgedragen.

Uitspraak

Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, meervoudige kamer voor strafzaken, op 19 maart en 2 april 2026.
Terechtzitting d.d. 19 maart 2026
Tegenwoordig zijn:
mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter,
mr. C.A. van Roosmalen en mr. A.M.F. Geerling, raadsheren,
mr. A. van Kaathoven, griffier.
Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. M. Lambregts,
advocaat-generaal.
De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, ter terechtzitting aanwezig, antwoordt op de vragen van de voorzitter te zijn genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,
wonende te [adres verdachte] .
Als raadslieden van de verdachte zijn ter terechtzitting aanwezig mr. M. Hendriks en
mr. N. ten Donkelaar, advocaten te Nijmegen.
De voorzitter vermaant de verdachte oplettend te zijn op hetgeen hij zal horen en deelt hem mede dat hij niet tot antwoorden verplicht is.
Het onderzoek ter terechtzitting wordt vervolgens onderbroken tot de terechtzitting van dit hof op 2 april 2026 te 13.30 uur.
Terechtzitting d.d. 2 april 2026
Op 2 april 2026 wordt het onderzoek hervat in de tegenwoordigheid van:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. J.C. Gillesse, raadsheren,
mr. T.S. Vos, griffier.
Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. A.J.M. Clarijs,
advocaat-generaal.
De verdachte genaamd:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,
wonende te [adres verdachte] .
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadslieden van de verdachte, mr. M. Hendriks en mr. N. ten Donkelaar, advocaten te Nijmegen, zijn evenmin ter terechtzitting verschenen.
De voorzitter deelt mede:
Zoals ter terechtzitting van 19 maart 2026 is bepaald, zal het hof vandaag de beslissing op de onderzoekswensen mededelen. De advocaat-generaal en de raadslieden hebben op de terechtzitting van 19 maart jl. medegedeeld er geen bezwaar tegen te hebben dat het hof heden zitting heeft in een andere samenstelling.
Het hof zal allereerst ingaan op het verzoek om voeging van stukken, omdat een oordeel over het verzoek om voeging van de RIEC-stukken mede van belang is voor de beoordeling van het verzoek tot het horen van betrokkenen bij de RIEC-overleggen.
I. Verzoeken tot het voegen van stukken
Door de verdediging is verzocht om inzage in alle relevante stukken die onderdeel uitmaken van het dossier van het Openbaar Ministerie, waarbij door de verdediging specifiek zijn benoemd:
  • de tripartite stukken;
  • interne stukken;
  • interne correspondentie tussen FIOD, Openbaar Ministerie en Belastingdienst;
  • interne correspondentie van het Openbaar Ministerie;
  • interne correspondentie van de FIOD;
  • interne correspondentie van de Belastingdienst;
  • notities omtrent overleg tussen de FIOD, het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst;
  • RIEC-stukken;
  • interne correspondentie tussen alle RIEC-partners;
  • overige van belang zijnde stukken.
Al deze stukken zullen inzicht verschaffen in hoe het Openbaar Ministerie, de FIOD en de Belastingdienst met elkaar hebben samengewerkt; in welke mate, met welk doel en binnen welke kaders.
Voorts is door de verdediging verzocht om, naast de RIEC-stukken, het politiedossier omtrent de [verdachte] te voegen in het dossier, teneinde nader onderzoek te kunnen verrichten naar de aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek. In dit verband is tevens verzocht om de betrokkenen bij de RIEC-overleggen en de stuur-en weegploegnotulen als getuige te horen.
Tot slot is door de verdediging verzocht om het Openbaar Ministerie de opdracht te geven een overzichtsproces-verbaal aan het dossier toe te voegen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van een verzoek tot voeging van stukken bij de processtukken op grond van artikel 315, eerste lid, Sv juncto artikel 415 Sv Pro als maatstaf heeft te gelden of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Bij het nemen van zijn beslissing hierover dient de rechter in aanmerking te nemen dat op grond van artikel 149a tweede lid, Sv in beginsel alle stukken aan het dossier dienen te worden toegevoegd die voor de door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. [1]
Bij de beoordeling van zowel verzoeken tot het voegen van stukken bij de processtukken als verzoeken tot het verkrijgen van inzage in specifiek omschreven stukken, is onder meer van belang in hoeverre die stukken relevant (kunnen) zijn voor de door de rechter te nemen beslissingen. Een dergelijk verzoek moet worden onderbouwd, waarbij de onderbouwing moet zien op het belang van de voeging dan wel de inzage in het licht van de beslissingen die in de strafzaak kunnen en moeten worden genomen. [2] Bepalend is niet primair de aard van het stuk, maar de relevantie daarvan voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen.
Ten aanzien van het verzoek om voeging van de RIEC-stukken en het horen van de betrokkenen bij de RIEC-overleggen en de stuur-en weegploegnotulen overweegt het hof in het bijzonder nog als volgt.
Het Regionale Informatie- en Expertisecentra (hierna: het RIEC) is een instantie die is opgezet om de inspanningen van de partners op het gebied van de bestrijding van ondermijnende criminaliteit te coördineren en de partners te ondersteunen bij hun activiteiten. Partners kunnen dus de aandacht vragen voor personen, bedrijven, fenomenen en criminele samenwerkingsverbanden. De informatie die daarbij verzameld wordt is dus niet primair bedoeld om tot bewijs in strafzaken te dienen. Tot dusver is er geen aanwijzing dat dat in deze zaak wel is gebeurd.
Het Openbaar Ministerie heeft op grond van het opportuniteitsbeginsel een vergaande bevoegdheid om prioriteiten te stellen bij het kiezen van de onderzoeken die met voorrang worden opgestart. De rechter zal gemaakte keuzes slechts marginaal toetsen. Het ligt voor de hand dat het Openbaar Ministerie bij die keuzes niet blind is voor de maatschappelijke signalen en adviezen van partnerorganisaties. Mede met het oog daarop zijn overlegvormen opgericht als driehoeksoverleggen, rechercheoverleggen, weegploegen en – in het bijzonder voor ondermijnende criminaliteit – het LIEC en de RIEC’s.
Als het Openbaar Ministerie een onderzoek heeft opgestart dat zich richt tegen een persoon of organisatie die onderwerp is van gesprek in het RIEC ligt het voor de hand dat het Openbaar Ministerie globale informatie verstrekt over het bestaan en het doel van het onderzoek, inclusief de meest voor de hand liggende uitkomst. In dat licht bezien is het niet verwonderlijk dat gerapporteerd wordt dat het de bedoeling is dat de te onderzoeken feiten uiteindelijk tot een aantekening op het ‘strafblad’ van de verdachte terechtkomen. Het hof realiseert zich dat dat voor de verdachte uiterst nadelig is en het risico van tunnelvisie met zich meebrengt. Het is uiteindelijk ter beoordeling van het hof of de mate van verdenking en de ernst van de strafbare feiten de diverse stappen en de inzet van opsporingsmiddelen kunnen dragen en of in voldoende mate oog is gehouden voor alternatieve scenario’s.
Op het eerste gezicht lijken de tekortkomingen die bij de diverse belastingcontroles zijn geconstateerd de start van het onderzoek zelfstandig te kunnen dragen, dit in overeenstemming met het oordeel van de rechtbank op dat punt. Het staat de verdediging uiteraard vrij om bij de inhoudelijke behandeling op dat punt verweer te voeren en daarbij kan niet worden uitgesloten dat het hof uiteindelijk tot een ander oordeel komt dan de rechtbank. Als dat zo is, zal het hof daar de nodige gevolgen aan verbinden.
Bij deze stand van zaken is het hof thans van oordeel dat het gevraagde onderzoek naar de rol van het RIEC bij deze zaak niet kan leiden tot relevante informatie voor enige op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissingen en worden de daaraan verbonden onderzoekswensen afgewezen.
Ook het verzoek tot voeging van de overige verzochte stukken wordt door het hof afgewezen, nu het hof van oordeel is dat de verzochte stukken niet relevant zijn voor de op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissingen.
Ten aanzien van het verzoek om het Openbaar Ministerie de opdracht te geven een overzichtsproces-verbaal aan het dossier toe te voegen overweegt het hof als volgt.
Artikel 3 van Pro het Besluit processtukken in strafzaken bepaalt dat, indien het procesdossier een strafzaak betreft van een misdrijf dat met zes jaar gevangenisstraf of meer is bedreigd, het Openbaar Ministerie ervoor zorgdraagt dat uiterlijk op het tijdstip waarop de dagvaarding ter terechtzitting in eerste aanleg is betekend, een proces-verbaal houdende een verslag betreffende de verrichte opsporingshandelingen in die strafzaak aan de processtukken wordt toegevoegd (lid 1). Dit proces-verbaal wordt aangevuld zodra na voeging nog opsporingshandelingen worden verricht (lid 2).
In het procesdossier is in het Algemeen Dossier onder proces-verbaalnummer AD-001 een 36 pagina’s tellend overzichtsproces-verbaal opgenomen, voorzien van een inhoudsopgave (pagina 1 tot en met 36 van het procesdossier). In dit overzichtsproces-verbaal wordt vermeld dat resultaten, bevindingen, rapporten en processen-verbaal die bij het sluiten van het Algemeen Dossier (AD) nog niet beschikbaar zijn, bij aanvullend proces-verbaal zullen worden geverbaliseerd en nagezonden.
Ook in de zaaksdossiers (ZD) is telkens een overzichtsproces-verbaal opgenomen (ZD-001, dossierpagina 38 tot en met 206 en ZD-002, dossierpagina 207 tot en met 227).
Het hof is dan ook van oordeel dat is voldaan aan artikel 3 van Pro het Besluit processtukken in strafzaken, zodat het verzoek van de verdediging feitelijke grondslag mist. Het verzoek wordt dan ook afgewezen.
II.Verzoeken tot het horen van getuigen
Door de verdediging is verzocht vierentwintig personen als getuige te horen. Het hof overweegt ten aanzien van de verzochte getuigen als volgt.
a.
[persoon 1]
Door de verdediging is verzocht [persoon 1] als getuige te horen. [persoon 1] is werkzaam bij de Belastingdienst als klantencoördinator en heeft, blijkens het document ‘Verloop Rabarber’ een coördinerende rol gehad in het opstarten van het boekenonderzoek, het contact met het RIEC, de FIOD en het Openbaar Ministerie. Zij kan aldus verklaren over de precieze rol van het RIEC in de aanleiding van het strafrechtelijke onderzoek alsmede de sfeerovergang.
Het verzoek tot het horen van [persoon 1] wordt door het hof toegewezen. Het horen van de getuige van worden verwezen naar de raadsheer-commissaris.
b.[persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5]
Door de verdediging is verzocht [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] als getuige te horen. Alle vier zijn zij werkzaam bij de Belastingdienst. [persoon 2] is vanaf het begin betrokken geweest bij het boekenonderzoek naar de verdachten en kan verklaren over de aanleiding van het strafrechtelijke onderzoek en ten aanzien van het onder de feiten 1 en 2 tenlastegelegde over de communicatie met de Belastingdienst. [persoon 3] is de contactambtenaar geweest tussen het RIEC en de Belastingdienst. [persoon 3] kan de rol van het RIEC in het onderhavige strafrechtelijke onderzoek nader toelichten alsook de aanleiding van het strafrechtelijke onderzoek. [persoon 4] is blijkens het preweegdocument bij het onderzoek betrokken geweest als controlerend ambtenaar. Zij heeft kennelijk feiten vastgesteld en was betrokken bij de sfeerovergang in dit dossier.
[persoon 5] heeft e-mailcontact gehad over de afstemming van aanslagen en boetes en wordt genoemd als boetefraudecoördinator in het preweegdocument van 8 oktober 2018. Zij is aldus, vanaf het begin, nauw betrokken geweest bij het onderzoek.
Het verzoek tot het horen van [persoon 2] , [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] wordt afgewezen, omdat het hof het horen van deze personen als getuige niet relevant acht voor de beantwoording van enige in de strafzaak te nemen beslissing ingevolge de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Door het niet-horen van deze getuigen wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad, gelet op de procedure in het geheel.
c.[persoon 6]
Door de verdediging is verzocht [persoon 6] als getuige te horen, nu zij belastend heeft verklaard over de verdachten. Het belang bij het horen van deze getuige dient dan ook te worden voorondersteld.
Dit verzoek wordt door het hof afgewezen, omdat [persoon 6] op 17 maart 2021 onder leiding van de rechter-commissaris als getuige is gehoord door de FIOD, in het bijzijn van de raadsman van de verdachte, mr. Hendriks. Mr. Hendriks is bij gelegenheid van dit verhoor in de gelegenheid gesteld vragen te stellen aan de getuige, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt. Naar het oordeel van het hof is door de verdediging onvoldoende onderbouwd waarom de getuige opnieuw dient te worden gehoord. Bovendien acht het hof het aanvullend horen van de getuige niet relevant voor de beantwoording van enige in de strafzaak te nemen beslissing ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv. Door het niet-horen van de getuige wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad, gelet op de procedure in het geheel.
d.[persoon 7] , [persoon 8] en [persoon 9]
Door de verdediging is verzocht [persoon 7] , [persoon 8] en [persoon 9] als getuige te horen. Zij waren werkzaam op [groep bedrijven] . Zij hebben belastend over de verdachten verklaard en kunnen volgens de verdediging verklaren over de omvang van de vermeende rangerverhuur en de daarmee samenhangende kosten.
Het hof overweegt als volgt.
[persoon 7] is op 6 oktober 2020 onder leiding van de rechter-commissaris als getuige gehoord door de FIOD, in het bijzijn van de raadsman van de verdachte. De raadsman van de verdachte is bij dit verhoor in de gelegenheid gesteld vragen te stellen aan de getuige. Naar het oordeel van het hof is door de verdediging onvoldoende onderbouwd waarom de getuige opnieuw dient te worden gehoord, zodat het verzoek tot het horen van getuige [persoon 7] wordt afgewezen.
Het verzoek tot het horen van de partner van [persoon 7] – [persoon 8] – en de dochter van [persoon 7] – [persoon 9] – wordt door het hof eveneens afgewezen, nu [persoon 7] reeds onder leiding van de rechter-commissaris als getuige is gehoord, en door de verdediging onvoldoende is onderbouwd waarom naast [persoon 7] ook nog [persoon 8] en [persoon 9] als getuige dienen te worden gehoord. Het hof acht het horen van deze getuigen bovendien niet relevant voor de beantwoording van enige in de strafzaak te nemen beslissing ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv. Door het niet-horen van de getuigen wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad, gelet op de procedure in het geheel.
e.[persoon 10]
Door de verdediging is verzocht [persoon 10] als getuige te horen. [persoon 10] is sinds 2013 werkzaam als vrijwilliger bij [groep bedrijven] , verbleef op park [park 1] en heeft eerder een belastende verklaring afgelegd.
Dit verzoek wordt door het hof afgewezen, omdat het hof het horen van [persoon 10] als getuige niet relevant acht voor de beantwoording van enige in de strafzaak te nemen beslissing ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv. Door de verdediging is bovendien niet gemotiveerd welke onderdelen van de verklaring van [persoon 10] worden betwist. Door het niet-horen van de getuige wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad, gelet op de procedure in het geheel.
f.[persoon 11]
Door de verdediging is verzocht [persoon 11] als getuige te horen. [persoon 11] is sinds 2013 werkzaam bij [groep bedrijven] als [functie 1] voor [bedrijf 2] en heeft eerder belastende verklaringen afgelegd, welke door de rechtbank ter motivering van het vonnis zijn gebruikt. Het belang bij het horen van deze getuige dient dan ook te worden voorondersteld.
Het hof overweegt als volgt.
[persoon 11] is op 1 december 2020 onder leiding van de rechter-commissaris als getuige gehoord door de FIOD. De raadsman van de verdachte was bij dit verhoor aanwezig. Het hof is, anders dan de verdediging, van oordeel dat deze getuige niet of nauwelijks belastend heeft verklaard. Door de verdediging is in de appelschriftuur de verklaring van [persoon 11] geciteerd, voor zover inhoudende dat zij nooit heeft gevraagd wat de term ‘ranger’ betekent, dat accommodaties niet verhuurd konden worden voor [bedrijf 2] als er een ranger in zat en dat rangers niet vermeld werden in het reserveringssysteem. Dat rangers niet werden geregistreerd in het reserveringssysteem, wordt blijkens de in eerste aanleg ingebrachte schriftelijke verklaring van de verdachte niet betwist. Naar het oordeel van het hof is dan ook onvoldoende onderbouwd welke onderdelen van de verklaring van [persoon 11] door de verdediging worden betwist. Het hof is dan ook van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd waarom [persoon 11] opnieuw dient te worden gehoord. Bovendien acht het aanvullend horen van de getuige niet relevant voor de beantwoording van enige in de strafzaak te nemen beslissing ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv. Het verzoek tot het horen van [persoon 11] als getuige wordt dan ook afgewezen. Door het niet-horen van de getuige wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad, gelet op de procedure in het geheel.
g.[persoon 12]
Door de verdediging is verzocht [persoon 12] als getuige te horen. [persoon 12] was vanaf 2017 werkzaam als [functie 2] van [groep bedrijven] . De verdediging wenst hem te horen over zijn afgelegde belastende verklaringen over de status van de administratie van de verdachten.
Het hof overweegt als volgt.
[persoon 12] is op 30 maart 2021 onder leiding van de rechter-commissaris als getuige gehoord door de FIOD. De raadsman van de verdachte was bij dit verhoor aanwezig. Aan de raadsman is uitdrukkelijk gevraagd of hij vragen aan de getuige had, waarop de raadsman te kennen heeft gegeven dat hij geen vragen had aan de getuige. Bovendien is door de verdediging niet aangegeven welke onderdelen van zijn, door de rechtbank tot het bewijs gebezigde, verklaring worden betwist. Het hof is dan ook van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd waarom [persoon 12] opnieuw dient te worden gehoord. Bovendien acht het aanvullend horen van de getuige niet relevant voor de beantwoording van enige in de strafzaak te nemen beslissing ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv. Het hof wijst het verzoek tot het horen van [persoon 12] als getuige dan ook af. Door het niet-horen van de getuige wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad, gelet op de procedure in het geheel.
h.[verbalisant 1]
Door de verdediging is verzocht [verbalisant 1] , opsporingsambtenaar bij de Belastingdienst/FIOD, als getuige te horen. [verbalisant 1] heeft de nadeelberekening opgesteld en gelet op die belastende verklaring wenst de verdediging hem als getuige te horen.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt voorop dat op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad een verzoek tot het horen van een deskundige die een voor de verdachte – bezien in samenhang met de overige resultaten van het onderzoek – belastend schriftelijk verslag heeft opgesteld, niet op gelijke wijze moet worden beoordeeld als een verzoek tot het horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd. Hetgeen de Hoge Raad heeft geformuleerd met betrekking tot de beoordeling van verzoeken tot het horen van getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd, vindt op dergelijke verzoeken niet onverkort toepassing. Een verzoek tot het oproepen en het horen van een deskundige moet in de regel worden gemotiveerd, waarbij van de verdediging mag worden verlangd dat wordt toegelicht welke onderdelen van het verrichte onderzoek en/of van de over dat onderzoek opgestelde of afgelegde verklaring zij wil toetsen door middel van het horen van de deskundige. Het voorgaande geldt ook als een verzoek wordt gedaan tot het oproepen en horen als getuige van een opsporingsambtenaar die technisch opsporingsonderzoek heeft verricht, dat wil zeggen opsporingsonderzoek waarvoor een zekere mate van specifieke of bijzondere kennis is vereist. [3]
Het hof is gelet op het voorgaande, anders dan de verdediging, van oordeel dat [verbalisant 1] niet is aan te merken als een Keskin-getuige. Nu door de verdediging niet is onderbouwd welke onderdelen van het door [verbalisant 1] verrichte onderzoek en/of het door hem over dat onderzoek opgestelde proces-verbaal de verdediging door middel van het horen van [verbalisant 1] wenst te toetsen, is het hof van oordeel dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd. Het verzoek tot het horen van [verbalisant 1] als getuige wordt dan ook afgewezen. De stelling van de verdediging dat verbalisant [verbalisant 1] bepaalde aspecten niet heeft meegenomen in zijn berekening kan worden getoetst aan de inhoud van die berekening. Het staat de verdediging uiteraard vrij om aan te geven welke elementen alsnog betrokken moeten worden bij het rekenwerk zodat het hof dit tijdens de inhoudelijke behandeling aan de orde kan stellen.
i.
[persoon 13]
De verdediging heeft verzocht [persoon 13] als getuige te horen. [persoon 13] is coördinator bij het RIEC Brabant-Zeeland en gelet op die coördinerende rol is zij voor de verdediging het enige aanspreekpunt binnen het RIEC.
Dit verzoek wordt door het hof afgewezen, nu het hof van oordeel is dat door de verdediging onvoldoende is onderbouwd waarom [persoon 13] als getuige dient te worden gehoord. Het hof verwijst in dit verband voorts naar hetgeen hiervoor reeds is overwogen ten aanzien van het verzoek om voeging van de RIEC-stukken over rol van het RIEC bij deze zaak.
j.[persoon 14] en [persoon 15]
Door de verdediging is verzocht [persoon 14] en [persoon 15] als getuige te horen. Beiden waren zij werkzaam bij [bedrijf 3] , het voormalig belastingadvieskantoor van de verdachten. De verdediging wenst [persoon 14] te horen over de volledigheid van de administratie en het verstrekken van inlichtingen. [persoon 15] was als [functie 3] van de verdachten nauw betrokken bij de administratie en het verstrekken van inlichtingen. Mogelijk kunnen [persoon 14] en [persoon 15] de verwijten in het juiste perspectief plaatsen en de gang van zaken toelichten.
Het hof overweegt als volgt.
[persoon 14] is op 2 december 2020 onder leiding van de rechter-commissaris als getuige gehoord door de FIOD. De raadsman van de verdachte was bij dit verhoor aanwezig. Aan de raadsman is uitdrukkelijk gevraagd of hij vragen aan de getuige had, waarop de raadsman te kennen heeft gegeven dat hij geen vragen had aan de getuige. Bovendien is door de verdediging thans onvoldoende gemotiveerd aangegeven wat deze getuigen in het licht van de tenlastegelegde feiten zouden kunnen verklaren, dan wel waarom het horen van deze getuigen van belang is voor enige op grond van de artikelen 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Het verzoek tot het horen van [persoon 14] en [persoon 15] als getuige wordt dan ook afgewezen. Door het niet-horen van deze getuigen wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad.
k.[persoon 16]
Door de verdediging is verzocht [persoon 16] als getuige te horen. [persoon 16] is [functie 4] van [bedrijf 4] ., eigenaar van het softwareprogramma [reserveringssysteem] , dat door de verdachten werd gebruikt voor de reserveringen op de parken. [persoon 16] heeft eerder verklaard over de werking van het reserveringssysteem. De werking van het systeem speelt een cruciale rol in de verdenkingen omtrent de volledigheid van de administratie en het verstrekken van inlichtingen, reden waarom het horen van [persoon 16] volgens de verdediging onontbeerlijk is voor de verdachten.
Het hof overweegt als volgt.
[persoon 16] is – zoals de verdediging zelf ook al aangeeft – reeds als getuige gehoord door de FIOD. Door de verdediging is niet onderbouwd waarom deze getuige aanvullend dient te worden gehoord. Het hof acht ook ambtshalve het aanvullend horen van deze getuige niet relevant voor de beantwoording van enige in de strafzaak te nemen beslissing ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv. Het verzoek tot het horen van [persoon 16] als getuige wordt dan ook afgewezen. Door het niet-horen van de getuige wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad.
l.[persoon 17] , [persoon 18] , [persoon 19] , [persoon 20] , [persoon 21] , [persoon 22] en [persoon 23]
Door de verdediging is verzocht zaaksofficier van justitie [persoon 17] , geheimhoudersofficier van justitie [persoon 18] , geheimhoudersmedewerker [persoon 20] , parketsecretaris [persoon 21] , teamleider van de FIOD [persoon 22] en [persoon 23] van de FIOD als getuige te horen.
Ter onderbouwing van dit verzoek is door de verdediging – kort gezegd – aangevoerd dat sprake is van een inbreuk op het verschoningsrecht en dat daaromtrent nog altijd veel onduidelijkheid is. Bij de inval door de FIOD is de administratie van de verdachten in beslag genomen, waaronder ook correspondentie met verschoningsgerechtigden zoals advocaten en notarissen. Onder de inbeslaggenomen ordners bevonden zich in ieder geval drie gele ordners met daarop ‘vertrouwelijke advocaat correspondentie’, die niet terug zijn gegeven. Uit het proces-verbaal inzake het filteren van de stukken blijkt niet hoe met het verschoningsgerechtigd materiaal is omgegaan. Voorts is niet uit te sluiten dat een bij het opsporingsonderzoek betrokken opsporingsambtenaar of officier van justitie kennis heeft genomen van geprivilegieerde gegevens. Uit de beschikbare stukken blijkt niet wie welke rol heeft vervuld, welke vertrouwelijke informatie daarbij is ingezien en hoe vervolgens is gewaarborgd dat deze kennis niet bij het onderzoeksteam van de FIOD en het Openbaar Ministerie terecht is gekomen.
Het hof overweegt als volgt.
Op 21 mei 2019 heeft een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden op het hoofdkantoor van [groep bedrijven] aan [adres] . Bij deze doorzoeking is administratie in beslag genomen. Door de verbalisanten is een lijst opgesteld waarop is vermeld welke voorwerpen, zoals ordners, hangmappen en (archief)dozen, in beslag zijn genomen
(dossierpagina 3818 tot en met 4017). Blijkens het proces-verbaal teruggaaf inbeslaggenomen voorwerpen d.d. 2 augustus 2021
(dossierpagina 933)is de op het hoofdkantoor van [groep bedrijven] inbeslaggenomen administratie op 20 juli 2021 teruggegeven aan [medeverdachte 2] . Hiervan is een ontvangstbewijs opgemaakt waarop alle teruggegeven voorwerpen zijn vermeld
(dossierpagina 4020 tot en met 4109). Dit ontvangstbewijs is door [medeverdachte 2] ondertekend.
Het verzoek tot het horen van de zaaksofficier van justitie [persoon 17] en parketsecretaris [persoon 21] wordt afgewezen. Het Openbaar Ministerie verantwoordt zich bij monde van de behandelend advocaat-generaal ter terechtzitting. Eventuele vragen kunnen aan de advocaat-generaal gericht worden.
Ten aanzien van de geheimhouderskwestie overweegt het hof dat duidelijk is de omgang met de geheimhoudersinformatie anders is gelopen dan volgens de huidige standaarden. Het hof zal zich beraden over de gevolgen die daaraan verbonden moeten worden. Er zijn echter geen aanwijzingen dat er geheimhoudersinformatie is betrokken in het onderzoek. Het hof ziet dan ook geen redenen om daarover betrokkenen te horen. Het verzoek om de teamleider van de FIOD [persoon 22] en [persoon 23] van de FIOD als getuige te horen wordt dan ook afgewezen.
Het hof ziet, gelet op hetgeen ter terechtzitting door de verdediging naar voren is gebracht, wel aanleiding om een aanvullend proces-verbaal op te laten maken waarin zo gedetailleerd mogelijk wordt beschreven welke administratie er bij de doorzoeking ter inbeslagneming op het hoofdkantoor van [groep bedrijven] d.d. 21 mei 2019 in beslag is genomen, en wat er op 20 juli 2021 terug is gegeven aan administratie. Daarbij dient in het bijzonder aandacht te worden besteed aan het aantal (gele) ordners en de ordners met opschriften die kunnen verwijzen naar correspondentie met geheimhouders. Het hof ziet vooralsnog in afwachting van het aanvullend proces-verbaal geen aanleiding om de geheimhoudersofficier van justitie [persoon 18] en de geheimhoudersmedewerker [persoon 20] als getuige te horen.
III.Reclasseringsrapport
Door de verdediging is verzocht om een reclasseringsrapport op te laten maken en de reclassering opdracht te geven onderzoek te doen naar de detentiegeschiktheid van de verdachte. Dit verzoek wordt door het hof afgewezen, nu het hof dit niet noodzakelijk acht. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte kunnen door de verdediging – zo veel mogelijk gedocumenteerd – ter terechtzitting naar voren worden gebracht. Ten aanzien van de detentiegeschiktheid van de verdachte wordt uiteindelijk pas in de executiefase beslist.
IV. Verklaring verdachte
Door de verdachte is ter terechtzitting van 19 maart jl., naar aanleiding van vragen van de advocaat-generaal, verklaard dat hij niet begrijpt waarom hij, als eigenaar van [groep bedrijven] en de vakantieparken, in tegenstelling tot veel anderen niet is verhoord door de FIOD.
Hoewel hieraan door de verdediging geen verzoek is gekoppeld, overweegt het hof – mede gelet op het subsidiaire verzoek van de advocaat-generaal om, mocht het hof aanleiding zien een of meer (aanvullende) getuigenverhoren toe te wijzen, eerst de verdachte door de FIOD te laten horen – in dit verband als volgt.
Blijkens het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 april 2021
(dossierpagina 3164 en 3165)zijn op 28 april 2021 aan de verdachte middels een PowerPoint presentatie de onderzoeksgegevens van strafrechtelijk onderzoek Rabarber60 voorgehouden. Na afloop van de presentatie is aan de verdachte een vragenlijst verstrekt, waarop de verdachte desgewenst uiterlijk 9 mei 2021 schriftelijk kon reageren. Deze lijst bevatte twaalf vragen, onder andere met betrekking tot de contant ontvangen gelden van de rangers, het niet verantwoorden van de rangers in het reserveringssysteem en het niet, respectievelijk niet tijdig, doen van aangifte vennootschapsbelasting
(dossierpagina 3182 en 3183). Aan de verdachte en zijn raadsman zijn ook de documenten waarnaar in de PowerPoint presentatie werd verwezen verstrekt
(dossierpagina 3185).
Bij e-mailbericht d.d. 25 mei 2021 is door de raadsman van de verdachte, mr. Hendriks, in reactie op de vragenlijst te kennen gegeven dat de verdachte zich niet bewust is geweest van enig strafbaar handelen, dat hij daarom geen aanleiding ziet om op de vragenlijst van de FIOD in te gaan en dat de verdediging hoopt en wenst dat het onderzoek thans zo spoedig mogelijk wordt afgerond
(dossierpagina 3184).
Het hof is, op grond van het voorgaande, anders dan de verdediging maar met de
advocaat-generaal, van oordeel dat de verdachte de mogelijkheid heeft gehad om te reageren op de onderzoeksbevindingen van de FIOD. De wijze waarop de verdachte in de gelegenheid is gesteld op de onderzoeksbevindingen te reageren, te weten door de gelegenheid te krijgen op schriftelijke vragen te reageren in plaats van tijdens een mondeling verhoor met de onderzoeksbevindingen te worden geconfronteerd, wijst naar het oordeel van het hof zeker niet op een schending van de belangen van de verdachte. Hem is immers de mogelijkheid geboden om in alle rust en zelfs in overleg met zijn raadsman de vragen te beantwoorden. De verdachte heeft er zelf voor gekozen de schriftelijke vragen niet te beantwoorden. De verdachte heeft daarbij ook niet te kennen gegeven dat hij, zoals hij ter terechtzitting van 19 maart jl. heeft verklaard, net als alle andere personen die zijn gehoord, uitgenodigd wenste te worden voor een mondeling verhoor door de FIOD.
Het hof ziet geen aanleiding om, zoals door de advocaat-generaal subsidiair is verzocht, de verdachte te laten horen door de FIOD. De verdachte kan, indien hij dat wenst, ter terechtzitting een verklaring afleggen.
V. Verzoek publicatie
De advocaat-generaal heeft verzocht de regiebeslissingen te publiceren op www.rechtspraak.nl met daarin de vermelding van de naam van de advocaat-generaal als professioneel betrokkene c.q. advocaat-generaal, een en ander conform de Pseudonimiseringsrichtlijn. Dit verzoek wordt door het hof toegewezen.
Het hof, gehoord de advocaat-generaal, de raadslieden en de verdachte:
  • schorsthet onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd tot een nader te bepalen terechtzitting van de twaalfde meervoudige strafkamer, tevens fiscale fraudekamer van dit hof, met – indien mogelijk – dezelfde samenstelling
    (verwachte behandelduur: twee zittingsdagen plus een reservedag );
  • beveeltde oproeping van de verdachte tegen de dag en het tijdstip van de nog nader te bepalen terechtzitting;
  • beveeltde kennisgeving van de dag en het tijdstip van de nog nader te bepalen terechtzitting aan de raadslieden van de verdachte;
  • wijst toehet verzoek tot het horen van de getuige:
o [persoon 1] , geboren op [geboortedatum] ;
  • geeft opdrachtaan de
    advocaat-generaalom een aanvullend proces-verbaal op te laten stellen waarin zo gedetailleerd mogelijk wordt beschreven welke administratie er bij de doorzoeking ter inbeslagneming op het hoofdkantoor van [groep bedrijven] d.d. 21 mei 2019 in beslag is genomen, en wat er op 20 juli 2021 aan administratie terug is gegeven, waarbij in het bijzonder aandacht dient te worden besteed aan het aantal (gele) ordners en de ordners met opschriften die kunnen verwijzen naar correspondentie met geheimhouders;
  • steltde stukken in handen van de advocaat-generaal om te bevorderen dat zulks zo spoedig mogelijk geschiedt;
  • wijst afde overige verzoeken van de verdediging.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitters en de griffiers is vastgesteld en ondertekend, ieder voor zover het zijn/haar eigen waarnemingen en bevindingen betreft.

Voetnoten

1.HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:218.
2.HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:192.
3.HR 13 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198, rov. 2.4.3 en 2.4.4.