Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:859

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
20-001515-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 37a SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 38z Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep verkrachting met oplegging gevangenisstraf, tbs met voorwaarden en gedragsmaatregel

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor verkrachting van een hulpbehoevend slachtoffer en kreeg een gevangenisstraf van 36 maanden met aftrek van voorarrest en terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd. In hoger beroep werd het vonnis bevestigd, maar de tbs-maatregel werd gewijzigd in terbeschikkingstelling met voorwaarden, mede op basis van recente gedragsrapportages en de bereidheid van de verdachte tot behandeling.

Het hof achtte de verkrachting ernstig vanwege het misbruik van de kwetsbare situatie van het slachtoffer in haar eigen woning. De verdachte heeft een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken en een gokstoornis, met een hoog recidiverisico zonder behandeling. Diverse deskundigen adviseerden een intensieve behandeling in een forensische kliniek.

De redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep werd met ongeveer zes maanden overschreden, wat leidde tot strafvermindering van 36 naar 32 maanden gevangenisstraf. Daarnaast werd een gedragsbeïnvloedende maatregel opgelegd om recidive na afloop van de tbs te voorkomen.

De schadevergoeding aan het slachtoffer werd bevestigd op €11.636,46, bestaande uit materiële en immateriële schade, met wettelijke rente. De voorlopige hechtenis werd geschorst onder voorwaarden bij opname in een forensische kliniek. Het hof legde gedetailleerde voorwaarden op voor de tbs met voorwaarden, gericht op behandeling, toezicht en gedragsbeïnvloeding.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 32 maanden gevangenisstraf met aftrek voorarrest, tbs met voorwaarden, gedragsbeïnvloedende maatregel en schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001515-24
Uitspraak : 27 maart 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 5 juni 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-230304-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
thans verblijvende in P.I. [P.I.] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. De rechtbank heeft het onder 1 tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘verkrachting’ en de verdachte daarvoor strafbaar verklaard. De verdachte is wegens het bewezenverklaarde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest. Bovendien is aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd.
In verband met de vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde is de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding en is bepaald dat [slachtoffer 1] en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen.
Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toegewezen, te weten tot een bedrag van € 11.636,46, bestaande uit € 636,46 aan materiële schade en
€ 11.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft bepaald dat de materiële schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening en de immateriële schade met de wettelijke rente vanaf 8 september 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten van [slachtoffer 2] , tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil. Ter hoogte van het toegewezen bedrag (€ 11.636,46) is de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.
Ten slotte heeft de rechtbank de teruggave van een inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven handdoek aan [slachtoffer 2] gelast.
Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 6 juni 2024 is het van de zijde van de verdachte ingestelde hoger beroep beperkt ingesteld, namelijk tegen de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde en de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Dit impliceert dat het onder 2 tenlastegelegde en de daarmee verband houdende vordering van [slachtoffer 1] in hoger beroep niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft primair gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank – met aanvulling van gronden – zal bevestigen. Indien en voor zover het hof tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden mocht komen, heeft de advocaat-generaal gevorderd te bepalen dat de op te leggen maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zal worden verklaard en dat verdachtes voorlopige hechtenis onder dezelfde voorwaarden zal worden geschorst vanaf het moment dat een verdachte in een kliniek kan worden opgenomen.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bepleit dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden zal worden opgelegd en niet de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging zoals die door de rechtbank aan de verdachte is opgelegd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis – voor zover dat aan het oordeel van het hof is onderworpen – en met de gronden waarop dit berust en zal het vonnis – met aanvulling van gronden – dan ook bevestigen, met uitzondering van:
  • de opgelegde sancties (waaronder begrepen de gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege en de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht);
  • de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ;
  • de door de rechtbank aangehaalde toepasselijke wettelijke voorschriften.
Aanvulling van gronden
In aanvulling op de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen komt de bewezenverklaring mede te berusten op het volgende bewijsmiddel.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 december 2025, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
Ik ben bij die vrouw (
het hof begrijpt: aangeefster [slachtoffer 2]) in de woning geweest en er is seks geweest. Wat ik wel zeker weet is dat ik op haar ben afgelopen en mijn piemel in haar mond heb gedaan.
Op te leggen sancties
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen sancties gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Bij het bepalen van de op te leggen sancties neemt het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Aard en ernst van het bewezenverklaarde
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich op 8 september 2022 schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van een destijds 53-jarige vrouw. Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Verkrachting is een zeer ernstig misdrijf waarvan de gevolgen voor het slachtoffer veelomvattend en ingrijpend zijn. In dit geval wordt de situatie bovendien nog verergerd door het feit dat het slachtoffer voorafgaand aan de verkrachting hulpbehoevend was, hetgeen haar bijzonder kwetsbaar maakte. Het slachtoffer werd namelijk onwel toen zij op haar scooter onderweg was naar een vriendin. Zij maakte ook duidelijk dat zij op dat moment hulp nodig had. Daaropvolgend stopte een busje met daarin twee mannen. De mannen stelden voor de ambulance te bellen, waarna de verdachte het slachtoffer aanbood haar terug naar huis te brengen. Het slachtoffer stemde daarmee in en veronderstelde in goed vertrouwen dat de intenties van de verdachte oprecht waren. Eenmaal aangekomen in het appartement van het slachtoffer, dwong de verdachte haar om hem oraal te bevredigen door haar haren en hoofd vast te pakken en zijn penis in haar mond te duwen. De verdachte verliet vervolgens, nadat hij in haar mond was klaargekomen, de woning van het slachtoffer en liet haar beduusd, aangeslagen en verward alleen achter. Evenals de rechtbank rekent het hof de verdachte in strafverzwarende zin aan dat hij ten behoeve van eigen seksueel gerief grovelijk misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare situatie waarin het slachtoffer zich op dat moment bevond en van het vertrouwen dat zij op dat moment in hem mocht stellen. Daar komt bij dat de verkrachting plaatsvond in de eigen woning van het slachtoffer, een plek waar eenieder zich bij uitstek veilig zou moeten voelen. Bovendien volgt uit de toelichting op de gevorderde schadevergoeding en de slachtofferverklaring van het slachtoffer d.d. 20 mei 2024 dat de verkrachting bijzonder schadelijke gevolgen voor haar heeft gehad.
Persoon van de verdachte
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 december 2025. Uit dit uittreksel blijkt onder meer dat de verdachte bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juni 2022 in verband met een zedenfeit is veroordeeld, alsmede dat die veroordeling op 1 februari 2023 – en aldus nà het onderhavige bewezenverklaarde feit – onherroepelijk is geworden. Voorts blijkt uit voornoemd uittreksel dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht toepassing vindt.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof voorts rekening gehouden met de inhoud van een rapport van het [GGZ 1] d.d. 30 mei 2025, opgesteld door [psycholoog 1] , GZ-psycholoog en [psychiater] , psychiater. In dit rapport is onder andere het volgende opgenomen:
Bij betrokkene is – in ieder geval vanaf zijn vijftiende jaar – sprake van een patroon van oppositioneel-opstandig en antisociaal gedrag en middelengebruik. Dit patroon heeft zich uiteindelijk doorontwikkeld tot een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Daarnaast is er sprake van een hoge mate van psychopathie volgens het concept van Hare. Er is sprake van een patroon van regelovertredend gedrag en het zich niet houden aan de wet, onbetrouwbaarheid met het aanpassen van verhalen al naar gelang het hem het beste uitkomt, een beperkt verantwoordelijkheidsgevoel (nu lijkt het meer te zijn dan tijdens het eerdere onderzoek, maar het is onvoldoende duidelijk in hoeverre het vooral opportunistisch is), parasitair gedrag, het ontbreken van (doorleefde) spijt en berouw en veelvuldig gebruikmaken van antisociale coping mechanismen, zoals bagatelliseren, externaliseren (= anderen de schuld geven van eigen ongewenst gedrag) en manipuleren (ongrijpbaarheid, draaien en verhalen aanpassen). Betrokkene is daarnaast sterk op zichzelf gericht en weinig begaan met de gevoelens van anderen. Het gevoelsleven is weinig gedifferentieerd en hij gaat geen of zeer beperkt wederkerige verbindingen met anderen aan. Daarnaast zijn deze 'verbindingen' vooral instrumenteel van aard. Het geweten is beperkt ontwikkeld. Betrokkene bagatelliseert de eerdere delicten (waaronder de eerdere zedenzaak) waarvoor hij is veroordeeld. Dit doet niet aan als cultuurgebonden fenomeen om te proberen zijn familie te behoeden voor schande, maar lijkt puur instrumenteel ingegeven ten bate van zichzelf.
(…)
In het huidige onderzoek kan, doordat betrokkene er opener over is geweest, tevens een gokstoornis worden vastgesteld.
(…)
Op basis van alle voorhanden zijnde informatie komen ondergetekenden met betrekking tot het delictscenario - indien bewezen - tot de conclusie dat er verschillende elementen/kenmerken in de psychopathologie van betrokkene aanwezig zijn, die hebben doorgewerkt in de onderhavige ten laste gelegde feiten. Betrokkene komt ook uit dit vervolgonderzoek naar voren als een man
wiens gedrag niet alleen opportunistisch (de gelegenheid doet zich voor), maar ook lust gedreven is.
(…)
Er is bij hem in elk geval sprake van een verhoogde prikkelbehoefte vanuit de vastgestelde persoonlijkheidsstoornis en er is – eveneens vanuit de genoemde psychopathologie – sprake van te weinig sociale remming. Daarnaast heeft betrokkene vanuit zijn pathologie minder het vermogen om zijn gedrag bij te sturen doordat zijn empathisch vermogen en gewetensfuncties minder goed ontwikkeld zijn. Dit komt ook naar voren als wordt gekeken naar betrokkenes justitiële geschiedenis. Dit sterk opportunistische, lust gedreven gedrag waar betrokkene als gevolg van gebrekkig ontwikkelde gewetensfuncties en een verminderd empathisch vermogen, minder dan gemiddeld sturing over uit kan oefenen, speelde op soortgelijke wijze bij beide ten laste gelegde feiten. Derhalve adviseren ondergetekenden om betrokkene beide feiten, indien bewezen, in verminderde mate toe te rekenen.
(…)
Los van de bewezenverklaring van de feiten waar betrokkene momenteel van verdacht wordt, komt zijn totaalscore uit op 4 wat overeenkomt met de risicocategorie 'matig-hoog'. Als het onder 1. ten laste bewezen wordt verklaard, dan is er ook sprake van een onbekend en een niet-familiair slachtoffer waardoor de score uitkomt op 6. Deze score komt overeen met de risicocategorie 'hoog'.
(…)
Om recidive van een zedendelict te voorkomen heeft betrokkene een intensieve behandeling nodig, die gericht is op zijn persoonlijkheidsproblematiek. Deze behandeling dient plaats te vinden in een hoog beveiligde omgeving met behandelaars die getraind zijn in het omgaan met patiënten met een cluster B-persoonlijkheidsstoornis en een hoge mate van psychopathie.
(…)
Een tbs met voorwaarden is door onderzoekers uitgebreid overwogen. Hiertoe wordt echter niet geadviseerd en wel om de volgende redenen. Eerder is gebleken dat betrokkene zich niet aan voorwaarden kon houden en ook in het huidige onderzoek blijkt dat hij nauwelijks probleembesef en geen probleeminzicht heeft. De responsiviteit wordt dan ook als laag ingeschat.
(…)
Bij een bewezenverklaring van het eerste ten laste gelegde is betrokkene bijvoorbeeld snel gekomen tot dat feit, zonder dat er sprake leek te zijn van een duidelijke spanningsopbouw of een duidelijke aanloop naar dat feiten blijkende uit bijvoorbeeld grooming of eerder al contact leggen met aangeefster, althans betrokkene heeft daar geen melding van gemaakt en ook de dossierinformatie wijst niet in die richting. Dit gegeven en het feit dat betrokkene zich sociaal-wenselijk en ongrijpbaar kan presenteren, maakt dat het risicomanagement door de reclassering niet op een verantwoorde wijze vorm te geven is binnen het kader van een tbs met voorwaarden. Dit alles maakt dat enkel het kader van een tbs met bevel tot verpleging van overheidswege resteert om de benodigde behandeling vorm te geven.
Voorts is door [psycholoog 2] , gezondheidszorgpsycholoog, een rapportage d.d. 9 december 2025 opgesteld. Uit dit rapport blijkt onder andere het volgende:
Op basis van de inhoud en indrukken van gesprekken met betrokkene, de verkregen informatie en de reeds beschikbare uitgebreide collaterale informatie kan worden vastgesteld dat er bij betrokkene, een 25-jarige man, sprake is van persoonlijkheidspathologie waarbij antisociale en narcistische tendensen op de voorgrond staan, maar waarbij ook een stoornis in het gebruik van cannabis gesteld kan worden. Eerder was er ook sprake van een gokstoornis. In die zin verschilt onderzoeker niet veel van de eerdere diagnostische conclusies zoals (bij herhaling) door het [GGZ 1] en in de ambulante rapportages is vastgesteld.
(…)
Het contrast is groot tussen zijn welhaast probleemloze functioneren in [land] en het feit dat hij in Nederland al snel afgleed in toenemend probleemgedrag en uiteindelijk op meerdere levensgebieden is vastgelopen. Het laat zich wat lastig duiden, maar het is zeker niet uit te sluiten dat zowel de heftige vlucht en het vervolgens plots zonder ouders zich moeten redden in een vreemde omgeving, hier een belangrijke rol in heeft gespeeld.
(…)
Kijkend naar de uitleg van de PCL-R-resultaten van het [GGZ 1] komen diverse beschrijvingen zoals door het [GGZ 1] gedaan in de rapportage in eerste aanleg wel overeen met wat onderzoeker ziet en constateert, alleen ziet onderzoeker (thans met bijvoorbeeld de informatie van zus en vriendin in ogenschouw nemend) op diverse items een zekere nuancering en daarmee minder hoge score. Onderzoeker ziet dan ook weliswaar aanleiding om van zogenaamde psychopathische trekken te spreken, maar acht een hoge mate van psychopathie thans onvoldoende te onderbouwen. Hier speelt voor onderzoeker ook in mee, zoals bovenstaand reeds beschreven, dat de aanleiding van de scheefgroei in zijn persoonlijkheid (deels) lijkt te zijn gelegen in zijn vlucht naar Nederland, maar ook zijn nog relatief jonge leeftijd en is er in ieder geval geen sprake van bijvoorbeeld een kernpsychopathisch beeld. Bovendien is de scheefgroei tot heden nog niet goed bewerkt en zette de ontwikkeling van de persoonlijkheidspathologie zich zodoende voort, zeker in de leeftijds- en ontwikkelingsfase waar betrokkene destijds in verkeerde. Inmiddels ziet onderzoeker zoals beschreven wel een zekere (voorzichtige) kentering van de negatieve ontwikkeling en ziet zeker nog wel aangrijpingspunten om hier positieve stappen in te maken.
(…)
Qua diagnostiek komt onderzoeker, zoals in paragraaf 9 uitgebreid uiteengezet, in grote lijnen tot overeenkomstige conclusies als het [GGZ 1] . Er kan worden gesproken van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, een stoornis in het gebruik van cannabis (matig van ernst) en een gokstoornis. Onderzoeker ziet de hoge mate van psychopathie niet en is van mening dat er hooguit sprake is van psychopathische trekken. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten.
(…)
Zoals beschreven is betrokkene passend bij zijn persoonlijkheidspathologie geneigd te handelen vanuit opportunistische en hedonistische motieven, waarbij hij voorts gedreven wordt door directe en op lust gerichte behoeftebevrediging. Hij houdt op die momenten volstrekt onvoldoende rekening met de consequenties van zijn gedrag voor de ander en handelt vooral vanuit een egocentrisch perspectief. Er gaat onvoldoende remming en sturing uit van zijn beperkte empathische vermogens en gewetensfuncties. De kans doet zich voor, hij ervaart gevoelens van lust en opwinding en hij handelt daar vervolgens naar. Op zulke momenten is betrokkene als gevolg van zijn pathologie onvoldoende in staat om hier nog voldoende sturing over te hebben en zijn gedrag op voldoende adequate wijze bij te sturen. Onderzoeker adviseert dan ook om de hem ten laste gelegde feiten, indien bewezen, vanuit gedragskundig oogpunt in verminderde mate toe te rekenen.
(…)
Wanneer de risicotaxatie-instrumenten de STATIC-99R en de STABLE-200 worden gescoord, komt betrokkene uit op een gemiddeld recidiverisico.
(…)
Als de uitkomsten van de STATIC-99R en STABLE-2007 worden gecombineerd, komt betrokkene uit op een hoog risico, zonder passende behandeling.
(…)
Tegelijkertijd treedt er zoals beschreven bij betrokkene wel toenemend besef en inzicht op, waarbij hij de (oprecht aanvoelende) intentie en motivatie uitspreekt om herhaling van vergelijkbaar delictgedrag te voorkomen, zijn leven op orde te krijgen en te houden en abstinent te blijven van middelen. Hij zegt open te staan voor behandeling, iets wat in het verleden onvoldoende van de grond is gekomen. Destijds is de pathologie onvoldoende bewerkt.
(…)
Onderzoeker is van mening dat langer durende behandeling van zijn persoonlijkheidspathologie nodig is om het recidiverisico voldoende te verminderen. Hierbij is het aangewezen om klinisch te starten, binnen een forensisch klinische setting ( [GGZ 2] ), en wanneer vervolgens de pathologie voldoende bewerkt is, middels een ambulant traject er voor te zorgen dat het aangeleerde in de praktijk kan worden gebracht.
(…)
Na de klinische fase zal een stapsgewijze resocialisatie dienen plaats te vinden, waarbij al lopende de klinische fase de tijd en gelegenheid is om diverse praktische zaken in zijn leven in gang te zetten. Onderzoeker is, zeker gezien het beeld dat betrokkene inmiddels laat zien, een stuk minder somber dan het [GGZ 1] ten aanzien van de haalbaarheid van een dergelijk traject. Ee tbs met dwangbehandeling acht onderzoeker niet noodzakelijk. Dat het een moeilijke weg zal zijn en het traject met het bekende vallen en opstaan gepaard zal gaan, is inherent aan een therapeutisch traject bij dergelijke pathologie. Tegelijkertijd is betrokkene thans wel bereid en
gemotiveerd om behandeling en begeleiding te ondergaan en is er zoals beschreven ook sprake van een toegenomen probleembesef en inzicht.
(…)
Onderzoeker adviseert dan ook om betrokkene de beschreven hulpverlening op te leggen in het kader van een tbs met voorwaarden. Er is dan ruim voldoende gelegenheid om betrokkene na afronden van een klinische behandeling langdurig te blijven controleren en begeleiden. Onderzoeker acht het bovendien niet noodzakelijk dat de behandeling plaatsvindt in het hoogste beveiligingsniveau van een [psychiatrisch ziekenhuis] , maar acht een [GGZ 2] voldoende.
Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 december 2025 is [psycholoog 2] als deskundige gehoord. Bij die gelegenheid heeft [psycholoog 2] onder meer naar voren gebracht dat bij de verdachte een ontwikkeling in probleembesef zichtbaar is, alsmede dat hij de verdachte in staat acht om zich langdurig aan (ingrijpende) voorwaarden te houden.
De verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 19 december 2025 onder andere verklaard dat hij er achter wil komen waar zijn fout is geweest en dat hij te ver is gegaan. Ook heeft hij verklaard dat hij spijt heeft van zijn handelen, maar dat dat niet te vergelijken is met hetgeen hij het slachtoffer heeft aangedaan.
Naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting d.d. 19 december 2025 is aan de reclassering verzocht een maatregelenrapport op te stellen ter beantwoording van de vraag of en zo ja, onder welke voorwaarden, de zaak kan worden afgedaan zoals dat door deskundige [psycholoog 2] is voorgesteld.
Hierop is door de reclassering een rapportage opgesteld. Uit dat rapport van 26 februari 2026 blijkt dat de reclassering negatief adviseert over het opleggen van terbeschikkingstelling met voorwaarden. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met voorwaarden de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte binnen een voorwaardelijk kader te veranderen. Door de reclassering zijn om die reden geen voorwaarden geformuleerd. Volgens de reclassering kan niet worden uitgesloten dat de instelling van de verdachte – ondanks zijn toezegging voor volledige commitment aan behandeling en toezicht – een sociaal wenselijke insteek heeft. Bovendien zijn op vrijwel alle leefgebieden problemen. Om die reden wordt geadviseerd om de verdachte klinisch, langdurig en in een stringent kader intensief te observeren, diagnosticeren en behandelen. De reclassering, evenals de pro-Justitia rapporteurs (in eerste aanleg), is van mening dat een traject van terbeschikkingstelling met voorwaarden niet afdoende en passend zal zijn om dit te kunnen bewerkstelligen. Vanuit hun professioneel oordeel sluit de reclassering zich aan bij voornoemde bevindingen en adviezen van de pro-Justitia rapporteurs.
Bij bericht d.d. 6 maart 2026 heeft deskundige [psycholoog 2] gereageerd op voornoemd reclasseringsadvies. In die reactie heeft [psycholoog 2] onder meer te kennen gegeven dat hij van mening is dat door de reclassering nauwelijks een eigen, inhoudelijke onderbouwing is gegeven voor het advies dat terbeschikkingstelling met voorwaarden niet haalbaar zal zijn en dat vooral is teruggegrepen op de eerdere persoonlijkheidsonderzoeken, toen de verdachte nog anders in het proces stond.
Van de zijde van de verdediging is voorts een rapport van Forensisch Maatwerk d.d. 12 maart 2026 in het geding gebracht. Volgens rapporteur [rapporteur] , forensisch adviseur/rapporteur en onder intercollegiale toetsing van [arts] , forensisch supervisor, is het verdedigbaar om zo spoedig mogelijk binnen een forensisch psychiatrische kliniek ( [GGZ 2] ) een behandeling te starten binnen het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, waarbij langdurig toezicht en behandeling worden gewaarborgd. Volgens het rapport lijkt de verdachte goed op de hoogte van hetgeen van hem in dat kader wordt verwacht en zijn alle voorwaarden uitvoerig met hem besproken. In het rapport zijn die voorwaarden ook geformuleerd. Kort gezegd gaat het om de volgende voorwaarden:
  • meldplicht bij de reclassering;
  • opname in een zorginstelling;
  • ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname);
  • begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
  • drugsverbod;
  • meewerken aan financiële ondersteuning/budgetbeheer/bewindvoering;
  • contactverbod en locatieverbod (naar gelang slachtofferwensen/optioneel).
Ter terechtzitting d.d. 13 maart 2026 is mevrouw [reclasseringswerker] , reclasseringswerker, gehoord en heeft zij voornoemd reclasseringsadvies d.d. 26 februari 2026 nader toegelicht en vragen van het hof en de raadsman beantwoord. [reclasseringswerker] heeft naar voren gebracht dat de reclassering de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op dit moment niet haalbaar acht. In dit verband heeft zij onder meer naar voren gebracht dat de verdachte pas nadat aan hem door de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging is opgelegd, is gaan meewerken. Ook geeft de verdachte volgens [reclasseringswerker] sociaal wenselijke antwoorden en mist zij bij de verdachte de intrinsieke motivatie voor gedragsverandering. Ook speelt mee dat [reclasseringswerker] in het proces veel heeft moeten sturen om verdachtes hulpvraag te formuleren, alsmede dat de verdachte in het verleden eerder is veroordeeld wegens een zedenmisdrijf, aldus [reclasseringswerker] . Desgevraagd heeft [reclasseringswerker] ter terechtzitting in hoger beroep nog naar voren gebracht dat zij – indien en voor zover zij daartoe wel ruimte had gezien – tot dezelfde voorwaarden zou komen, zoals opgenomen in voornoemd rapport van Forensisch Maatwerk, met dien verstande dat aan die voorwaarden nog kan worden toegevoegd dat de verdachte niet naar het buitenland mag reizen en dat een time-out kan worden ingezet. Voorts heeft [reclasseringswerker] naar voren gebracht dat de maatregel strekkende tot gedragsverandering of vrijheidsbeperking ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte kan worden opgelegd.
Gevangenisstraf
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte zoals dat hiervoor is omschreven, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt.
Uit de hiervoor genoemde persoonlijkheidsrapportages blijkt dat de verschillende gedragsdeskundigen adviseren om het tenlastegelegde in verminderende mate aan de verdachte toe te rekenen. Het hof neemt deze conclusie over en legt die mede ten grondslag aan zijn oordeel dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend. Het hof zal bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen gevangenisstraf rekening houden met deze omstandigheid.
Bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen gevangenisstraf heeft het hof tevens acht geslagen op de termijn waarbinnen het hof de zaak van de verdachte zal afdoen.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling en afdoening van zijn zaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. In gevallen waarin een verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, dient de zaak in eerste aanleg en in hoger beroep telkens binnen zestien maanden te worden afgedaan om een termijnoverschrijding te voorkomen.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 6 juni 2024, de dag waarop van de zijde van de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof wijst het onderhavige arrest op 27 maart 2026. Het hof stelt vast dat het niet binnen zestien maanden nadat het hoger is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen. In hoger beroep is de redelijke termijn met een periode van ongeveer zes maanden overschreden. Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep heeft nog aanvullend onderzoek plaatsgehad. Deze omstandigheid vormt naar het oordeel van het hof evenwel geen rechtvaardiging voor de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Naar het oordeel van het hof is het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn dan ook geschonden. Het hof is van oordeel dat de schending van de redelijke termijn dient te leiden tot strafvermindering.
Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest naar het oordeel van het hof passend en geboden zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Maatregel van terbeschikkingstelling
De maatregel van terbeschikkingstelling kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden. Een van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist, kan tevens worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b, eerste lid, Wetboek van Strafrecht). Indien de rechter niet een bevel als bedoeld in laatstgenoemd artikel geeft, stelt hij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde (artikel 38, eerste lid, Wetboek van Strafrecht). Voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling is voorts vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37a, derde lid, Wetboek van Strafrecht).
Het hof overweegt voorts als volgt.
Op basis van de inhoud van de rapporten die ten aanzien van de verdachte zijn opgemaakt, stelt het hof vast dat GZ-psycholoog [psycholoog 1] en psychiater [psychiater] , die de verdachte hebben onderzocht, tot de conclusie zijn gekomen dat bij de verdachte sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken, een gokstoornis, alsmede van een hoge mate van psychopathie. [psycholoog 2] heeft beschreven dat hij qua diagnostiek in grote lijnen tot dezelfde bevindingen en conclusies is gekomen als [psycholoog 1] en [psychiater] , met dien verstande dat volgens hem hooguit sprake is van psychopathische trekken en niet van een hoge mate van psychopathie. Ook spreekt [psycholoog 2] over een stoornis in het gebruik van cannabis. Gelet op het vorenstaande stelt het hof vast dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.
Voorts stelt het hof vast dat het bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, alsmede dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling vereisten. In dit verband wijst het hof in het bijzonder op de omstandigheid dat het risico op recidive door alle deskundigen – bij een bewezenverklaring van het onderhavige feit en zonder passende behandeling – als hoog wordt ingeschat. Mitsdien is voldaan aan de (wettelijke) vereisten voor oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling.
Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging geboden is, dan wel volstaan kan worden met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden. Zoals uit de hiervoor genoemde rapporten blijkt zijn [psycholoog 1] en [psychiater] , alsmede de reclassering tot de conclusie gekomen dat slechts het kader van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege resteert om de benodigde behandeling van de verdachte vorm te kunnen geven, terwijl ‘ [psycholoog 2] , [rapporteur] en [arts] adviseren om de benodigde behandeling en hulpverlening vorm te geven in het kader van terbeschikkingstelling met voorwaarden.
Alles afwegende acht het hof – overeenkomstig het standpunt van de verdediging – thans termen aanwezig om tot oplegging van terbeschikkingstelling met voorwaarden over te gaan en – anders dan de rechtbank eerst heeft beslist – af te zien van oplegging van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Aan dit oordeel ligt in het bijzonder ten grondslag dat [psycholoog 2] , [rapporteur] en [arts] recent hebben gerapporteerd en hebben geadviseerd om terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. Bij die rapportages hebben zij ook verdachtes meest actuele (proces)houding kunnen betrekken. Bovendien heeft de verdachte ten overstaan van het hof naar voren gebracht dat hij spijt heeft van zijn handelen en dat hij aan zichzelf wil gaan werken. Zo heeft de verdachte ter terechtzitting van 19 december 2025 onder meer verklaard: ‘Ik vraag me af hoe ik van 0 tot 10 ben gegaan. Dat is onduidelijk.’ En ‘Nu weet ik zeker dat ze bang was en geen nee durfde te zeggen. Misschien is het wel het geval geweest dat ik zo gefocust was op mijn daad dat ik dat toen niet merkte. Ik wil wel weten waarom dat zo is gegaan bij mij. Ik wil daar hulp bij.’
Ook heeft de verdachte zich ten overstaan van het hof bereid verklaard zich aan alle genoemde voorwaarden, alsmede aan de door [reclasseringswerker] aanvullende genoemde punten, te willen en zullen houden. Naar het oordeel van het hof kan in het kader van terbeschikkingstelling met voorwaarden de noodzakelijke behandeling van de verdachte vorm krijgen en is zulks ook afdoende om het recidivegevaar te beperken.
Voor wat betreft de op te leggen voorwaarden sluit het hof zich aan bij de voorwaarden zoals die in het rapport van Forensisch Maatwerk d.d. 12 maart 2026 zijn opgenomen. Op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ziet het hof evenwel geen aanleiding om aan de verdachte een contactverbod met het slachtoffer en/of een locatieverbod op te leggen. Voorts zal het hof de door [reclasseringswerker] genoemde (voorwaarden aan de verdachte opleggen.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de maatregel van terbeschikkingstelling met de genoemde voorwaarden – in aanmerking genomen de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de ernst van het ziektebeeld van de verdachte – met voldoende waarborgen ter beveiliging van de samenleving is omkleed. De door het hof te stellen voorwaarden strekken ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen.
De maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden brengt met zich dat als de verdachte de door het hof gestelde voorwaarden niet naleeft of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen zulks eist, de maatregel op vordering van het Openbaar Ministerie kan worden omgezet in de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging.
Artikel 359, zevende lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat als de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, het arrest dit onder opgave van redenen aangeeft. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt voorts dat, met het oog op deze mogelijkheid van omzetting van een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden naar een terbeschikkingstelling met dwangverpleging, in het geval terbeschikkingstelling met voorwaarden is opgelegd, voormeld motiveringsvoorschrift eveneens geldt. In het licht van het vorenstaande stelt het hof vast dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. De maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt dan ook gelast ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat ingeval van omzetting van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden naar een terbeschikkingstelling met dwangverpleging de duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet op voorhand gemaximeerd is.
Voorts zal het hof, gelet op het bepaalde in artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht de dadelijke uitvoerbaarheid van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden bevelen, nu het hof van oordeel is – gelet op verdachtes problematiek en het hoge risico op recidive – dat met de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling met voorwaarden onmiddellijk dient te worden begonnen, waardoor ook met verdachtes benodigde behandeling zo snel mogelijk een aanvang kan worden gemaakt.
Maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het hof van oordeel dat de kans aanwezig is dat het recidiverisico na afloop van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden nog niet tot een aanvaardbaar niveau is teruggedrongen. Het hof is daarom – met de reclassering – van oordeel dat het noodzakelijk is om de verdachte de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Met oplegging van deze maatregel wordt de mogelijkheid gecreëerd om de verdachte ook na de terbeschikkingstelling met voorwaarden, indien dat dan nodig blijkt, onder toezicht te stellen, opdat het risico op recidive wordt geminimaliseerd. Het hof stelt hierbij nog vast dat de verdachte zich reeds eerder aan een zedenmisdrijf heeft schuldig gemaakt. Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van deze maatregel is voldaan. Aan de verdachte wordt immers de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd. Daarnaast is de oplegging van de maatregel van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht naar het oordeel van het hof in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 11.636,46, bestaande uit € 636,46 aan materiele schade en € 11.000,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vordering toegewezen. De rechtbank heeft bepaald dat de materiële schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2024, zijnde het moment waarop de vordering tot schadevergoeding is ingediend, tot aan de dag der algehele voldoening en de immateriële schade met de wettelijke rente vanaf 8 september 2022 tot aan de dag der algehele voldoening. De verdachte is veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij, tot aan de datum van het vonnis begroot op nihil. Ter hoogte van het toegewezen bedrag (€ 11.636,46) is de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 636,46. Deze schade is middels verschillende kassabonnen waaruit blijkt dat zij bij diverse winkels voorwerpen heeft gekocht voor (de inrichting van) haar nieuwe woning ook voldoende onderbouwd. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden zodat de vordering in zoverre toewijsbaar is.
Immateriële schade
Artikel 6:95 van Pro het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat schade die bestaat in ander nadeel dan vermogensschade, zoals immateriële schade, slechts kan worden vergoed voor zover de wet op vergoeding daarvan recht geeft. Artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek geeft hiervoor een nadere regeling. Deze regeling houdt – voor zover van belang – het volgende in:
‘1. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding (…)
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.’
Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
Het hof overweegt voorts als volgt.
Uit het schadeonderbouwingsformulier blijkt dat de benadeelde partij nadelige psychische gevolgen heeft ondervonden van het bewezenverklaarde handelen. In dit verband wijst het hof in het bijzonder op een bericht van de huisarts van de benadeelde partij. Uit dat bericht blijkt dat de benadeelde veel angst en stress ervaart, alsmede dat het voorval veel impact op haar heeft gemaakt. Volgens het bericht van de huisarts is bij de benadeelde sprake van PTSS. De huisarts heeft de benadeelde verwezen naar de GGZ voor traumaverwerking (EMDR-behandeling). Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof genoegzaam worden geconcludeerd dat ten gevolge van het bewezenverklaarde handelen de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen, zodat op die grond ruimte bestaat voor het toekennen van een schadevergoeding wegens immateriële schade. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 11.000,00.
Totale schade en wettelijke rente
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof aldus gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden tot een totaalbedrag van € 11.636,46. De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.
Het hof zal de verdachte veroordelen tot betaling van voornoemd geldbedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening. Het hof zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade bepalen op 1 september 2023. In dit verband heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat de benadeelde in de periode van mei 2023 tot en met begin maart 2024 bij verschillende winkels voorwerpen heeft gekocht voor (de inrichting van) haar nieuwe woning. Gelet hierop zal het hof de aanvangsdatum bepalen op een moment welke is gelegen in (ongeveer) het midden van voornoemde periode. De aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade zal worden bepaald op 8 september 2022, nu die schade op dat moment is ontstaan.
Kostenveroordeling
Het hof zal de verdachte veroordelen in de proceskosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer 2] is toegebracht tot een bedrag van € 11.636,46. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.
Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
Voorlopige hechtenis
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1729) geoordeeld dat het geldend recht niet de mogelijkheid biedt om een niet onherroepelijk opgelegde, dadelijk uitvoerbare maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden ‘om te zetten’ in een maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Zolang de oplegging van de tbs-maatregel niet onherroepelijk wordt (bijvoorbeeld door het instellen van cassatie), betekent dat dat de verdachte die de aan de tbs-maatregel verbonden voorwaarden overtreedt niet zonder meer op grond daarvan kan worden gedetineerd. Dit is anders indien door het overtreden van de voorwaarden een strafbaar feit wordt gepleegd waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Dat de betreffende voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, maakt dat niet anders: de ‘omzettingsmogelijkheid’ kan niet eerder in beeld komen dan na het onherroepelijk worden van de oplegging van de tbs-maatregel. In het genoemde arrest heeft de Hoge Raad de feitenrechter gewezen op de mogelijkheid om in deze gevallen de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen.
In navolging van het gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2025:1664) en Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2025:1755) overweegt het hof als volgt.
Artikel 72, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat het bevel tot voorlopige hechtenis bij einduitspraak wordt opgeheven indien aan de verdachte (voor het feit waarvoor dat bevel is verleend) “noch een vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, noch een maatregel welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen, onvoorwaardelijk is opgelegd”. Nu het hof de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zal leggen die korter is dan het reeds ondergane voorarrest in combinatie met een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, ziet het hof zich – mede gelet op het genoemde arrest van de Hoge Raad – voor de vraag gesteld of deze bepaling het hof ertoe verplicht de voorlopige hechtenis op te heffen (en zij zich dus tegen schorsing van die voorlopige hechtenis verzet).
Ten aanzien van de in artikel 72, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering opgenomen voorwaarde dat de betreffende sanctie onvoorwaardelijk moet zijn opgelegd, overweegt het hof dat ook de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden te gelden heeft als een onvoorwaardelijk opgelegde tbs-maatregel in de zin van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. Doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of het hof in deze zaak is gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op grond van artikel 72, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering op te heffen, is het oordeel of het hof een maatregel oplegt die vrijheidsbeneming kan medebrengen. In het onderhavige geval is dat de tbs-maatregel, en díe maatregel kán (mede gelet op het bepaalde in artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht) vrijheidsbeneming medebrengen. Dat het hof bij dit arrest voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde zal stellen en geen bevel tot dwangverpleging zal geven, maakt dat niet anders.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden eveneens sprake is van oplegging van een maatregel die vrijheidsbeneming kan medebrengen. Het hof is daarom niet gehouden het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. In plaats daarvan zal het hof de voorlopige hechtenis schorsen. Het met onmiddellijke ingang schorsen van dat bevel zou leiden tot een periode waarin de verdachte onbehandeld terugkeert in de samenleving en effectieve handhaving van de gestelde voorwaarden onvoldoende zeker gesteld kan worden. Indien cassatie wordt ingesteld kan die toezichtloze periode, mede gelet op de huidige wachttijd voor opname in klinieken en de wachttijd voor overbruggingszorg, enige tijd duren. Een dergelijke situatie zou naar het oordeel van het hof, gelet op verdachtes problematiek en de noodzaak van behandeling, onverantwoorde risico’s voor de algemene veiligheid van personen en voor de gezondheid en veiligheid van de verdachte opleveren. Het hof zal het bevel tot voorlopige hechtenis derhalve schorsen onder dezelfde voorwaarden als gesteld in het kader van de op te leggen maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, met ingang van het moment dat de verdachte zal worden opgenomen in een forensische kliniek. Het hof verzoekt bij plaatsing, behandeling en tenuitvoerlegging betrokken instanties al het redelijkerwijs mogelijke in het werk te stellen om de verdachte op zo kort mogelijke termijn te laten opnemen in een passende kliniek.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend ten aanzien van de opgelegde sancties (waaronder begrepen de gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest, de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege en de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht) en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Gevangenisstraf

Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
32 (tweeëndertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, waarbij als algemene voorwaarde geldt dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en stelt daarbij ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:
  • de verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
  • de verdachte meldt zich bij de reclassering en/of ontvangt hen in een behandelsetting/woonsituatie waar hij gedurende het reclasseringstoezicht verblijft, en houdt zich aan de aanwijzingen en afspraken door de reclassering gegeven. De verdachte blijft zich melden op- en conformeren aan afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
  • de verdachte laat zich opnemen in [GGZ 2] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
  • de verdachte laat zich ambulant behandelen bij een – afhankelijk van het voorafgaande klinisch verloop – nader te indiceren zorgverlener, te bepalen en te verwijzen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele maatregel of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het (psychiatrische) ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor [crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek]. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Zo de verdachte daarmee niet instemt, is deze opname slechts na rechterlijke toetsing mogelijk. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
  • de verdachte verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, indien en zolang de reclassering noodzakelijk acht, ter beoordeling gedurende het klinische traject. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem/haar heeft opgesteld;
  • de verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek en/of ademanalyse. De reclassering en of behandelsetting bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
  • de verdachte geeft openheid van zaken betreffende zijn financiële situatie en bestedingspatroon en werkt mee aan financiële ondersteuning/budgetbeheer of bewindvoering, indien en zolang den reclassering dit nodig acht;
  • de verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering;
  • als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen in een [psychiatrisch ziekenhuis] ( [psychiatrisch ziekenhuis] ) of andere instelling. Zo de verdachte daarmee niet instemt, is deze opname slechts na rechterlijke toetsing mogelijk. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
Geeft de reclassering opdracht aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.
Beveelt dat de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking

Legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 11.636,46 (elfduizend zeshonderdzesendertig euro en zesenveertig cent) bestaande uit € 636,46 (zeshonderdzesendertig euro en zesenveertig cent) materiële schade en € 11.000,00 (elfduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 11.636,46 (elfduizend zeshonderdzesendertig euro en zesenveertig cent) bestaande uit
€ 636,46 (zeshonderdzesendertig euro en zesenveertig cent) materiële schade en € 11.000,00 (elfduizend euro) immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 83 (drieëntachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 september 2023 en van de immateriële schade op 8 september 2022.

Voorlopige hechtenis

De voorlopige hechtenis wordt geschorst op het moment van opname in een forensische kliniek of soortgelijke zorginstelling. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden dezelfde voorwaarden verbonden als de hiervoor genoemde voorwaarden die gesteld worden bij de terbeschikkingstelling.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,
mr. S.C. van Duijn en mr. A.C. van Campen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T.H.J. Menting en mr. K. Holleman, griffiers,
en op 27 maart 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.