Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:834

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
200.350.045_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
WWZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over billijke vergoeding en pensioenschade na ontbinding arbeidsovereenkomst

In deze civielrechtelijke arbeidszaak staat de hoogte van de pensioenschade en billijke vergoeding centraal na ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2025.

De werknemer vordert een pensioenschadevergoeding van €289.507,-- gebaseerd op een berekening met na-indexatie van 2%, terwijl de werkgever een lagere schade van €180.905,-- aanvoert zonder na-indexatie. Het hof oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd dat de na-indexatie daadwerkelijk zal plaatsvinden en begroot de pensioenschade daarom op €180.905,00.

Verder wijst het hof de verklaring voor recht toe dat de werkgever zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. De billijke vergoeding wordt vastgesteld op €778.378,80 bruto, waarbij rekening is gehouden met het inkomen tot pensioengerechtigde leeftijd, pensioenschade, genoten uitkeringen en transitievergoeding.

De vordering tot betaling van een bonus wordt afgewezen en de kosten van beide instanties worden aan de werkgever opgelegd. De beschikking wordt vernietigd voor zover deze in hoger beroep voorligt, met uitzondering van de afwijzing van de bonusvordering.

Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van €778.378,80 bruto wegens ernstig verwijtbaar handelen en de pensioenschade wordt begroot op €180.905,00.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 26 maart 2026
Zaaknummer : 200.350.045/01
Zaaknummer eerste aanleg : 11249381 EJ VERZ 24-349
in de zaak in hoger beroep van:
[de werknemer],
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als [de werknemer] ,
advocaat: mr. M.J.H. Ruijters te Utrecht,
tegen
[B.V.] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster,
hierna aan te duiden als [de werkgever] ,
advocaat: mr. F.C. van Uden te Amsterdam.

9.Het verdere verloop van het geding

9.1.1. In de tussenbeschikking van 8 januari 2026 heeft het hof [de werknemer] de gelegenheid gegeven om op productie 65 bij antwoordconclusie na tussenarrest van [de werkgever] met datum 19 november 2025 te reageren. Het hof heeft daarbij tevens aangegeven dat, in het geval [de werknemer] nog een nieuwe productie in het geding zou brengen, [de werkgever] hierop zou mogen reageren.
9.1.2. [de werknemer] heeft op 3 februari 2026 een nadere akte in het geding gebracht. Zij heeft daarbij geen producties in het geding gebracht.
9.1.3. Het hof heeft de zaak vervolgens voor uitspraak gezet. [de werkgever] heeft nog een inhoudelijk reactie ingediend. Deze zal het hof buiten beschouwing laten nu het hof haar daartoe niet in de gelegenheid heeft gesteld. De reactie behoort niet tot de processtukken.

10.De verdere beoordeling

10.1.
Nog ter beslechting ligt de hoogte van de pensioenschade voor.
10.2.
[de werknemer] heeft onder verwijzing naar productie 57 bij verweerschrift in de eerste aanleg, een bedrag aan pensioenschadevergoeding van € 289.507,-- gevorderd. De berekening van haar pensioenadviseur, [pensioenadviseur 1] , komt evenwel neer op een bedrag van
€ 269.299,--, zijnde de contante waarde van de pensioenopbouw minus de contante waarde van de eigen bijdrage.
10.3.
[de werkgever] heeft bij antwoordakte na tussenbeschikking gereageerd op de berekening die [de werknemer] heeft overgelegd. [de werkgever] stelt dat zij de berekening van [pensioenadviseur 1] heeft laten controleren door haar pensioenadviseur [pensioenadviseur 2] . Daaruit volgt, aldus [de werkgever] , dat in het scenario waarin [de werknemer] werkloos blijft tot aan haar pensioendatum deze schade maximaal € 180.905,00 bruto bedraagt. In haar conclusie stelt [pensioenadviseur 2] dat [pensioenadviseur 1] onterecht een na-indexatie van 2% veronderstelt en dat met name hierdoor de pensioen-schade te hoog is berekend.
10.4.
In haar reactie erkent [de werknemer] dat het belangrijkste verschil in beide berekeningen zit in de na-indexatie, zijnde de indexatie na de pensioeningangsdatum. Deze neemt [pensioenadviseur 1] wel mee, [pensioenadviseur 2] niet. [de werknemer] stelt dat de na-indexatie voorwaardelijk is en afhangt van de winstdeling van Nationale Nederlanden. Ook de werkgever kan besluiten middelen beschikbaar te stellen. Het is mogelijk, aldus [de werknemer] , dat de winstdeling de afgelopen jaren niet materieel of zelfs nihil is geweest, maar niet uit te sluiten is dat dit in de toekomst wel mogelijk is.
10.5.
Het hof begroot de pensioenschade op een bedrag van € 180.905,00 nu niet althans onvoldoende onderbouwd is dat er daadwerkelijk een na-indexatie van 2% zal gaan plaatsvinden. Hoe de belastingdienst hiermee omgaat, is naar het oordeel van het hof voor de beoordeling van de voorliggende vraag over de hoogte van de pensioenschade niet relevant, althans die relevantie heeft [de werknemer] niet althans onvoldoende onderbouwd.

11.Slotsom

11.1.
Zoals het hof in de tussenbeschikking van 18 september 2025 heeft overwogen, ligt in hoger beroep niet voor:
  • de tussen partijen uitgesproken ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2025
  • de veroordeling van [de werkgever] tot betaling van de transitievergoeding en tot betaling van de vergoeding voor de niet genoten vakantiedagen.
11.2.
De grieven 1 tot en met 3 van [de werknemer] slagen. Dit leidt tot een vernietiging van de bestreden beschikking voor zover deze in hoger beroep voorligt. De door haar verzochte verklaring voor recht dat [de werkgever] zich heeft schuldig gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten, wijst het hof toe. Het hof wijst eveneens een billijke vergoeding toe
11.3.
[de werknemer] heeft het inkomen dat zij tot aan haar pensioengerechtigde leeftijd zou hebben ontvangen, rekening houdend met ruim 3% jaarlijkse verhoging, berekend op een bedrag van € 829.839,39. Het verweer hiertegen van [de werkgever] heeft het hof in ro 7.7. van de laatste tussenbeschikking verworpen. Het hof komt dan tot een billijke vergoeding van
(€ 829.839,39 plus pensioenschade van € 180.905,00 minus de genoten uitkeringen ter hoogte van € 104.979,70 en minus de transitievergoeding zijnde € 127.385,89) € 778.378,80 bruto.
11.4.
Grief 4 gericht tegen de afwijzing van de bonusvordering, slaagt niet. Het hof zal op dit punt de bestreden beschikking bekrachtigen.
11.5.
Het hof zal [de werkgever] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties veroordelen. Weliswaar is de ontbinding op verzoek van beide partijen uitgesproken, maar [de werknemer] heeft aangegeven dit verzoek eerst te hebben ingediend nadat zij uit de opstelling van [de werkgever] in deze procedure heeft moeten afleiden dat voortzetting van het dienstverband niet langer haalbaar was. De kosten in eerste aanleg worden begroot op € 814,00.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [de werknemer] zullen vastgesteld worden op een bedrag van
- griffierecht € 362,00
- salaris advocaat
€ 3.870,00(3 punten x tarief II)
Totaal € 4.232,00

12.De beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking voor zover deze in hoger beroep voorligt, behoudens de beslissing tot afwijzing van het verzoek tot betaling van een bonusbedrag;
verklaart voor recht dat [de werkgever] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten ten opzichte van [de werknemer] ;
veroordeelt [de werkgever] tot betaling aan [de werknemer] van een billijke vergoeding ter hoogte van
€ 778.378,80 bruto;
veroordeelt [de werkgever] in de proceskosten van de eerste aanleg van € 814,00 en van het hoger beroep van € 4.232,00;
verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking voor zover deze de afwijzing van het verzoek tot betaling van een bonusbedrag betreft;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M.H. Schoenmakers, J.I.M.W. Bartelds en A.E. Bos en is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.