ECLI:NL:GHSHE:2026:822

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
200.365.077_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 515 lid 5 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen raadsheer wegens petincident in strafzaak

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen raadsheer R. Lonterman omdat deze hem had verzocht zijn pet af te zetten bij aanvang van de zitting. Verzoeker voelde zich hierdoor persoonlijk gekwetst en vreesde dat de raadsheer zijn zaak niet onbevooroordeeld zou behandelen.

De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en overwogen dat de rechter de orde in de zittingszaal bepaalt en dat het verzoek om een pet af te zetten, als teken van respect, gerechtvaardigd en redelijk is. Er zijn geen concrete feiten of omstandigheden die wijzen op partijdigheid of de schijn daarvan bij de raadsheer.

De raadsheer ontkende emotioneel geraakt te zijn en benadrukte dat hij begrip had voor het dragen van hoofddeksels om religieuze redenen. De advocaat-generaal steunde het standpunt van de raadsheer en vroeg afwijzing van het verzoek.

De wrakingskamer concludeerde dat het enkele gevoel van verzoeker onvoldoende is om het wrakingsverzoek toe te wijzen en dat klachten over bejegening via een andere procedure moeten worden ingediend. Er is geen misbruik van het wrakingsrecht vastgesteld, zodat geen sancties worden opgelegd.

Het wrakingsverzoek is derhalve afgewezen en de beslissing is op 18 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de raadsheer wegens het verzoek om de pet af te zetten is afgewezen wegens gebrek aan concrete aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer
registratienummer: 200.365.077/01
datum beslissing: 18 maart 2026
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingsverzoeken
op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv)
in de zaak met parketnummer [parketnummer] tegen
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. A.A. Nunnikhoven,
strekkende tot wraking van mr. R. Lonterman, raadsheer in het team strafrecht van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: de raadsheer).

1.Het procesverloop

1.1.
Het wrakingsverzoek is mondeling gedaan ter terechtzitting van 18 februari 2026 van de enkelvoudige strafkamer. In het proces-verbaal van de zitting zijn de gronden voor de wraking opgenomen.
1.2.
De advocaat-generaal, mr. W.J.W.K. Suijkerbuijk, heeft bij e-mail van 27 februari 2026 gereageerd op het wrakingsverzoek. Hij heeft aangegeven niet ter zitting van de wrakingskamer te zullen verschijnen.
1.3.
De raadsheer heeft de wrakingskamer op 26 februari 2026 laten weten dat hij niet in de wraking berust.
1.4.
De wrakingskamer heeft het verzoek ter zitting van 4 maart 2026 behandeld, zoals verzoeker eerder door de coördinator van de wrakingskamer was medegedeeld. Namens verzoeker is mr. Nunnikhoven ter zitting verschenen, verzoeker zelf is in verband met werk niet verschenen. De raadsheer is ter zitting verschenen.
Mr. Nunnikhoven heeft het verzoek ter zitting nader toegelicht, mede aan de hand van een door verzoeker zelf geschreven toelichting. Na een korte schorsing van de zitting heeft verzoeker telefonisch via mr. Nunnikhoven nog een mondelinge toelichting gegeven.
1.5.
Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de wrakingskamer over 14 dagen uitspraak zal doen.

2.Het standpunt van verzoeker

2.1.
Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat, nadat hij na binnenkomst in de zittingszaal had geweigerd te voldoen aan het verzoek van de raadsheer om zijn pet af te doen, de raadsheer expliciet aangaf dat hij zich door de houding van verzoeker respectloos bejegend voelde. Volgens verzoeker heeft zijn weigering tot gevolg gehad dat de raadsheer hoog in zijn emotie zat en gefrustreerd was. Daardoor kan de raadsheer de zaak van verzoeker niet onafhankelijk behandelen, aldus verzoeker.
In de schriftelijke toelichting van verzoeker die door mr. Nunnikhoven ter zitting is voorgedragen, heeft verzoeker nog aangevoerd dat zijn wrakingsverzoek niet draait om de pet. Na het verzoek van de raadsheer heeft verzoeker rustig toegelicht dat hij altijd een pet draagt en dat dat onderdeel is van zijn identiteit en persoonlijke waarde.
Vervolgens veranderde de sfeer volgens verzoeker merkbaar. De raadsheer gaf expliciet aan dat hij zich niet gerespecteerd ('een vorm van disrepect') voelde, wat geen neutrale procesopmerking is maar een persoonlijke kwalificatie. Verzoeker voelt zich niet op zijn gemak bij de raadsheer als die reeds heeft uitgesproken persoonlijk te zijn geraakt door de houding van verzoeker. Verzoeker is bang dat het gevoel van de raadsheer een rol gaat spelen bij de behandeling van zijn zaak. Volgens verzoeker is zijn twijfel aan de onbevangenheid van de raadsheer objectief gerechtvaardigd.

3.Het standpunt van de raadsheer

3.1.
De raadsheer stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Hij heeft aangevoerd dat hem later is gebleken dat ook de bode al aan verzoeker had gevraagd zijn pet af te zetten. De raadsheer was benieuwd naar de redenen waarom verzoeker zijn pet niet zou willen afzetten. De raadsheer heeft nog geprobeerd om de raadsman van verzoeker er bij te betrekken, maar dat heeft niet geleid tot overleg tussen verzoeker en mr. Nunnikhoven. Mr. Nunnikhoven constateerde slechts: het is zoals het is. Eigenlijk vond de raadsheer de pet niet zo'n probleem, maar verzoeker ging heel snel over tot de wraking. Het is de raadsheer helaas niet gelukt om de zaak met verzoeker in goede banen te leiden. De raadsheer heeft toegelicht dat voor hem een verdachte best zijn hoofddeksel mag ophouden als daarvoor een goede reden is, waarbij hij verwezen heeft naar bijvoorbeeld godsdienstige redenen. De raadsheer heeft aangevoerd dat hij bij verzoeker geen andere emoties heeft ervaren dan bij andere verdachten.
De raadsheer vraagt de wrakingskamer om toepassing te geven aan artikel 515 lid 5 Sv Pro en te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen.

4.Het standpunt van de advocaat-generaal

4.1.
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen en dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 515 lid 5 Sv Pro.

5.De beoordeling

5.1.
Artikel 512 Sv Pro voorziet in de mogelijkheid dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, wordt gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
5.2
De wrakingskamer neemt voor de beoordeling van het wrakingsverzoek de volgende overwegingen uit de beschikking van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:87) tot uitgangspunt.
"3.4 Uitgangspunt is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Er is geen algemene regel aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of sprake is van uitzonderlijke omstandigheden zoals hiervoor vermeld. (…)
3.5
De beoordeling van wrakingsgronden dient mede plaats te vinden tegen de achtergrond van art. 6 lid 1 EVRM Pro (…). Over de onpartijdigheid van de rechter en de vraag wanneer zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, en aldus sprake is van een schending van art. 6 lid 1 EVRM Pro, blijkt uit de rechtspraak van het EHRM onder meer het volgende.
De beoordeling van wrakingsgronden in het kader van art. 6 lid 1 EVRM Pro is beperkt tot het vereiste van onpartijdigheid van de rechter (‘impartial tribunal’). Deze onpartijdigheid behelst de afwezigheid van bevooroordeeldheid en vooringenomenheid. Het al dan niet bestaan daarvan kan op verschillende manieren worden getoetst. Het EHRM maakt onderscheid tussen een subjectieve toets en een objectieve toets. Bij de subjectieve toets wordt rekening gehouden met de persoonlijke overtuiging, het persoonlijke belang en het gedrag van een bepaalde rechter, dat wil zeggen of de rechter in een bepaalde zaak persoonlijke bevooroordeeldheid of vooringenomenheid koestert. Bij de objectieve toets wordt nagegaan of het gerecht zelf en onder meer de samenstelling van het gerecht, voldoende waarborgen bieden om gerechtvaardigde twijfel over de onpartijdigheid van het gerecht uit te sluiten.
Bij de objectieve toets moet worden nagegaan of er, afgezien van het gedrag van de rechter, feiten kunnen worden vastgesteld die twijfel over zijn onpartijdigheid kunnen doen rijzen. Dit betekent dat het standpunt van degene die stelt dat die onpartijdigheid ontbreekt belangrijk is, maar niet doorslaggevend bij de beoordeling of er in een bepaalde zaak een gegronde reden is om te vrezen dat een bepaalde rechter of het rechterlijk college partijdig is. Beslissend is of deze vrees als objectief gerechtvaardigd kan worden beschouwd. De objectieve toets heeft meestal betrekking op de uitoefening van verschillende functies binnen de gerechtelijke procedure door dezelfde persoon, of hiërarchische of andere banden tussen de rechter en andere actoren in de procedure, die objectief gezien twijfels rechtvaardigen over de onpartijdigheid van het gerecht, en dus op grond van de objectieve toets niet voldoen aan art. 6 lid 1 EVRM Pro. Daarom moet in elk individueel geval worden beslist of de betrokken relatie van dien aard en omvang is dat zij wijst op een gebrek aan onpartijdigheid van het gerecht. In dit opzicht kan zelfs de schijn van vooringenomenheid van een zeker belang zijn."
5.3.
Tegen de achtergrond van het voorgaande overweegt de wrakingskamer als volgt.
5.4.
De wrakingskamer stelt voorop dat de rechter (of de voorzitter in geval van een meervoudige kamer) degene is die de orde in de zittingszaal bepaalt. De rechter zorgt voor een ordelijk verloop van de zitting, zodat het onderzoek ter zitting op juiste wijze kan plaatsvinden. De aanwezigen ter zitting dienen de aanwijzingen van de rechter op te volgen. Bij verstoring van de orde kan de rechter ingrijpen.
Het is in de Nederlandse rechtszaal de gewoonte om pet, hoed of ander hoofddeksel af te zetten zodra de zittingszaal wordt betreden, als teken van respect tegenover de rechterlijke macht als instituut. Een uitzondering geldt alleen voor hoofddeksels die gedragen worden vanuit religieuze overtuiging. Een pet is, als uitgangspunt, niet een zodanig hoofddeksel. Het verzoek van de raadsheer aan verzoeker om bij het begin van de zitting zijn pet af te zetten was dan ook gerechtvaardigd en redelijk en kan in beginsel geen grond vormen voor wraking.
5.5.
De raadsheer heeft betwist dat hij zich door de houding van verzoeker (persoonlijk) niet gerespecteerd voelde, hoog in de emotie zat of gefrustreerd was. Dat blijkt ook niet uit het proces-verbaal. Het enkele gevoel van verzoeker dat hij zich om die reden niet langer op zijn gemak voelde en dat hij bang was dat de emotie van de raadsheer een rol ging spelen bij de behandeling van zijn zaak, is onvoldoende als wrakingsgrond. Daarbij is voorts van belang dat tijdens de mondelinge behandeling van de wrakingskamer is gebleken dat niet alleen de bode maar ook zijn advocaat voorafgaand aan de zitting tegen verzoeker heeft gezegd zijn pet af te doen. De raadsheer heeft toegelicht dat hij zich, gelet daarop, achteraf kan voorstellen dat zijn kennelijk derde verzoek aan verzoeker om zijn pet af te zetten mogelijk direct in het verkeerde keelgat van verzoeker is geschoten. Wat hier verder ook van zij, pas indien uit concrete feiten en omstandigheden zou kunnen worden afgeleid dat in de bejegening door de raadsheer diens partijdigheid, of de schijn van partijdigheid, besloten ligt, zou dit grond kunnen opleveren voor toewijzing van het wrakingsverzoek. Dergelijke concrete feiten en omstandigheden zijn de wrakingskamer echter niet gebleken.
Voor klachten over de bejegening is - behoudens hierboven genoemde omstandigheden - de wrakingsprocedure niet bedoeld. Daarvoor is een afzonderlijke klachtprocedure in het leven geroepen.
Gelet op het voorgaande wordt het wrakingsverzoek afgewezen.
5.6.
Naar het oordeel van de wrakingskamer blijkt uit het dossier niet van misbruik van het rechtsmiddel wraking. Daarom zal geen toepassing worden gegeven aan artikel 515 lid 5 Sv Pro.
5.7.
Ten slotte, verzoeker heeft in zijn mondelinge toelichting nog te kennen gegeven in geen geval ter zitting van de raadsheer te zullen verschijnen, omdat hij geen vertrouwen meer in de raadsheer heeft. Dat is echter geen reden om het wrakingsverzoek toe te wijzen. Het blijft in beginsel de eigen, vrije keuze van verzoeker om al dan niet ter terechtzitting te verschijnen. Zoals aangegeven in de in 5.2 geciteerde uitspraak van de Hoge Raad is het standpunt van degene die stelt dat de rechterlijke onpartijdigheid ontbreekt belangrijk, maar niet doorslaggevend bij de beoordeling of er in een bepaalde zaak een gegronde reden is om te vrezen dat een bepaalde rechter of het rechterlijk college partijdig is.

4.De beslissing

Het hof (de wrakingskamer):
wijst het wrakingsverzoek af;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, de raadsheer en de advocaat-generaal.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.W. van Rijkom (voorzitter), E.H. Schulten en F.M.T. Quaadvliet en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.