Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:737

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
24/1090
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen legesaanslag op basis van Bouwkostenindicator 2020 voor vergunning 2021

Belanghebbende diende in december 2021 een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor de bouw van 28 appartementen. De heffingsambtenaar legde een legesaanslag op gebaseerd op de Bouwkostenindicator 2020. Belanghebbende maakte bezwaar en werd in bezwaar niet gehoord, hoewel zij dit had verzocht. De rechtbank passeerde deze schending van de hoorplicht, kende een proceskostenvergoeding toe, maar verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep betoogde belanghebbende dat de schending van de hoorplicht onrechtmatig was en dat de Bouwkostenindicator 2020 niet kon gelden voor 2021 omdat een nieuwe indicator ontbrak. Het hof oordeelde dat de rechtbank terecht de schending van de hoorplicht had gepasseerd en dat de toegekende proceskostenvergoeding voldoende was. Verder stelde het hof vast dat de Verordening verwijst naar vast te stellen of vastgestelde genormeerde eenheidsprijzen, waardoor het college niet verplicht is jaarlijks een nieuwe Bouwkostenindicator vast te stellen.

Omdat de Bouwkostenindicator 2020 correct was bekendgemaakt en niet was ingetrokken, en er geen nieuwe indicator voor 2021 was vastgesteld, was het kenbaar dat de 2020-indicator nog steeds van toepassing was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de legesaanslag op basis van de Bouwkostenindicator 2020 voor 2021.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1090
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 21 juni 2024, nummer ROE 23/868, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg,
hierna: de heffingsambtenaar.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag leges opgelegd (hierna: de aanslag).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [bestuurder] als bestuurder van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar] .
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2.Feiten

Aanvraag omgevingsvergunning, aanslag, uitspraak op bezwaar en uitspraak van de rechtbank
2.1.
Belanghebbende heeft op 6 december 2021 bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beesel (hierna: het college) een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van 28 appartementen en het aanleggen/veranderen van een uitrit. Bij besluit van 25 februari 2022 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.2.
De leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag van 6 december 2021 zijn
in een aanslag van 30 april 2022 vastgesteld op € 190.455,11. In de uitspraak op bezwaar van 9 maart 2023 is de aanslag verminderd naar een bedrag van € 149.377,04.
2.3.
Belanghebbende is in de bezwaarfase niet gehoord, terwijl zij daar wel om heeft verzocht. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in bezwaar ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Algemene Pro wet bestuursrecht (hierna: Awb) gepasseerd. Wegens de schending van de hoorplicht heeft de rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en aan belanghebbende een proceskostenvergoeding van € 1.750 toegekend.
Legesverordening en Bouwkostenindicator
2.4.
Artikel 2, eerste lid, van de Verordening van de raad van de gemeente Beesel op de heffing en invordering van leges gemeente Beesel 2021 (hierna: de Verordening) luidt als volgt:
“1. Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor:
a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;
b. (…)
Een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.”
2.5.
Artikel 5, eerste lid, van de Verordening luidt als volgt:
“De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.”
2.6.
Artikel 2.1.1.2 van de tarieventabel behorende bij de Verordening luidt als volgt:
“Bouwkosten: de kosten die ontstaan door en worden gemaakt voor de realisering van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning moet worden verleend tot en met de oplevering van dat (bouw)werk, inclusief BTW, en worden berekend op basis van door burgemeester en wethouders vast te stellen dan wel vastgestelde genormeerde eenheidsprijzen per type bouwwerk.”
2.6.
Op 8 januari 2020 heeft de gemeente Beesel in het Gemeenteblad onder nummer 4602 het volgende gepubliceerd:

Gemeente Beesel - Bouwkostenindicator 2020
Het college van B&W heeft op 9 december 2019 de eenheidsprijzen bouwkosten 2020 op basis van de Bouwkostenindicator vastgesteld.
De eenheidsprijzen 2020/ Bouwkostenindicator kunt u vinden op de website van de gemeente Beesel en in de uitgave van ViaLimburg (week 51).”

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
- Is de schending van de hoorplicht in bezwaar ten onrechte gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb Pro?; en
- Kan de heffingsambtenaar, na vaststelling van de Verordening, voor een vergunningsaanvraag in 2021 leges heffen op basis van de Bouwkostenindicator 2020?
3.2.
Belanghebbende concludeert tot een bevestigend antwoord op de eerste vraag en een ontkennend antwoord op de tweede vraag, hetgeen moet leiden tot een vernietiging van de aanslag. De heffingsambtenaar beantwoordt de vragen in tegengestelde zin en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
i. Hoorplicht
4.1.
Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte niet is gehoord voordat op het bezwaar is beslist, vooral omdat in het bezwaarschrift uitdrukkelijk is verzocht om te worden gehoord. Belanghebbende stelt dat haar daardoor de mogelijkheid is ontnomen om in een hoorgesprek een inhoudelijk debat te voeren over de door haar gestelde onverbindendheid van de Verordening en eventueel tot een compromis te komen. Belanghebbende stelt tevens dat zij met hoorzittingen ten aanzien van WOZ-beschikkingen positieve resultaten heeft behaald. Tot slot stelt belanghebbende dat de schending van de hoorplicht in combinatie met de door haar gestelde onverbindendheid van de Verordening in samenhang moet worden beoordeeld en moet leiden tot vernietiging van de aanslag.
4.2.
De heffingsambtenaar stelt dat de uitkomst na een hoorgesprek niet anders zou zijn geweest. Daarnaast stelt de heffingsambtenaar dat de Wet WOZ geen verband heeft met leges en dat de gestelde successen daarmee niet relevant zijn. De heffingsambtenaar stelt verder dat geen ruimte bestond voor een compromis.
4.3.
Het hof stelt vast dat de rechtbank de schending van de hoorplicht heeft gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro, maar vanwege deze schending wel de heffingsambtenaar heeft veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en toekenning van een proceskostenvergoeding. De hoogte van de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding is niet in geschil. Verder heeft belanghebbende ter zitting ondubbelzinnig en uitdrukkelijk verklaard dat zij het hof in deze zaak om een inhoudelijk oordeel vraagt over de rechtmatigheid van de aanslag en geen terugwijzing naar de heffingsambtenaar wenst voor een nieuwe inhoudelijke behandeling van haar bezwaarschrift. Het hof ziet geen aanleiding om aan de schending van de hoorplicht meer of andere gevolgen te verbinden dan de rechtbank al heeft gedaan. Vernietiging van de aanslag louter vanwege de schending van de hoorplicht acht het hof een te verstrekkend gevolg. Gelet op het vorenstaande kan in het midden blijven of de rechtbank terecht artikel 6:22 Awb Pro heeft toegepast.
4.4.
Het hof verwerpt daarnaast de stelling van belanghebbende dat de schending van de hoorplicht in combinatie met de door belanghebbende gestelde onverbindendheid van de Verordening in samenhang moet worden beoordeeld. Deze stelling berust op een onjuiste rechtsopvatting.
ii. De aanslag
4.5.
Belanghebbende stelt dat in de gemeenteraadsvergadering van 14 en 15 december 2020 een voorstel is gedaan om de belastingverordeningen en bijbehorende tarieven 2020 in te trekken en nieuwe belastingverordeningen en bijbehorende tarieven voor het belastingjaar 2021 vast te stellen. Belanghebbende stelt verder dat deze voorgestelde intrekking moet leiden tot de conclusie dat de Bouwkostenindicator 2020 niet kan gelden voor het jaar 2021. Belanghebbende stelt ook dat de legesverordeningen in andere jaren steeds naar een Bouwkostenindicator van hetzelfde jaar verwees.
4.6.
De heffingsambtenaar stelt dat op het moment van het opleggen van de aanslag
de Bouwkostenindicator 2020 nog steeds van toepassing was. Voor het jaar 2021 was geen nieuwe of andere Bouwkostenindicator van kracht. De heffingsambtenaar stelt dat
belanghebbende daarmee kon weten dat in haar geval de Bouwkostenindicator 2020 de actuele versie van de Bouwkostenindicator was, omdat nadien geen nieuwe Bouwkostenindicator is gepubliceerd. Verder stelt de heffingsambtenaar dat in artikel 2.1.1.2 van de tarieventabel behorende bij de Verordening niet besloten ligt dat het college gehouden is de Bouwkostenindicator jaarlijks te herzien of aan te passen.
4.7.
Het hof overweegt dat artikel 2.1.1.2. van de tarieventabel behorende bij de Verordening verwijst naar door het college ‘vast te stellen dan wel vastgestelde genormeerde eenheidsprijzen per type bouwwerk’. In de stellingen van belanghebbende ligt besloten dat met deze verwijzing voor belanghebbende kenbaar wordt verwezen naar een door het college vastgestelde en gepubliceerde Bouwkostenindicator. Het geschil beperkt zich dus tot de vraag of voor de legesheffing in 2021 het kenbaar is dat de genormeerde eenheidsprijzen bouwkosten worden bepaald op basis van de Bouwkostenindicator 2020.
4.8.
Het hof overweegt verder dat artikel 2.1.1.2 van de tarieventabel behorende bij de Verordening verwijst naar ‘
vast te stellendan wel vastgesteldegenormeerde eenheidsprijzen’. Deze tekst laat daarmee uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat het college geen nieuwe Bouwkostenindicator vaststelt, maar de bestaande Bouwkostenindicator in stand laat. Belanghebbende heeft verder niet betwist dat de Bouwkostenindicator 2020 na de vaststelling daarvan op een juiste wijze bekend is gemaakt. Gezien de geciteerde tekst, het feit dat de Bouwkostenindicator 2020 op een juiste wijze bekend is gemaakt en in 2021 niet was ingetrokken, alsmede het feit dat geen nieuwe Bouwkostenindicator voor het jaar 2021 is vastgesteld, oordeelt het hof dat daarmee kenbaar was dat de Bouwkostenindicator 2020 nog steeds van toepassing was voor het jaar 2021. Daarmee faalt de stelling van belanghebbende.
Tussenconclusie
4.9.
Het hoger beroep is ongegrond.
Ten aanzien van het griffierecht
4.10.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.11.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb Pro.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, M.E. Smorenburg en C.W.M.M. Verkoijen, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.