AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging aansprakelijkheid bestuurders voor omzetbelastingschuld door tweede hypotheek
Belanghebbenden, een holding en haar directeur-grootaandeelhouder, werden aansprakelijk gesteld voor de omzetbelastingschuld van een BV waarvan zij als bestuurders gelden. De BV had een tweede hypotheek gevestigd ten behoeve van de holding. Het hof oordeelde dat het niet redelijk was om deze tweede hypotheek te vestigen, omdat dit de fiscus benadeelde en er geen redelijk voordeel voor de BV was.
De belastingschuld was niet betaald en het hof stelde vast dat de schuld niet was verjaard. De ontvanger had de verjaring gestuit door verrekening en erkenning van de schuld door de bestuurders in meerdere uitlatingen en handelingen. Belanghebbenden betwistten dit, maar het hof vond dat de uitlatingen en gedragingen voldoende waren om van erkenning te spreken.
Het hof concludeerde dat het vestigen van de tweede hypotheek kennelijk onbehoorlijk bestuur was en dat belanghebbenden als bestuurders aansprakelijk zijn op grond van artikel 36 vanPro de Invorderingswet 1990. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de aansprakelijkheid van de bestuurders voor de omzetbelastingschuld wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/276 en 24/277
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende 1] ,
wonend in [plaats 1] ,
en
[belanghebbende 2] B.V. ,
gevestigd in [plaats 1] ,
hierna gezamenlijk te noemen: belanghebbenden,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland – West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 2 januari 2024, nummers BRE 21/3739 en 21/3741, in het geding tussen belanghebbende en
de ontvanger van de Belastingdienst,
hierna: de ontvanger,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1.Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De ontvanger heeft aan belanghebbenden op 21 november 2019 een beschikking aansprakelijkstelling (hierna: de beschikkingen) afgegeven voor een onbetaalde naheffingsaanslag omzetbelasting van [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ).
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De ontvanger heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de ontvanger.
1.6.
De zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari in ’s-Hertogenbosch. Ter zitting zijn verschenen [belanghebbende 1] als belanghebbende in de zaak 24/276 en als bestuurder namens [belanghebbende 2] B.V., de gemachtigde van belanghebbenden [gemachtigde] , tot bijstand vergezeld door [persoon 1] en [persoon 2] . Namens de ontvanger is verschenen [ontvanger 1] en [ontvanger 2] .
1.7.
Beide partijen hebben tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.8.
Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst. Daarbij heeft het hof belanghebbende de gelegenheid gegeven schriftelijk te reageren op de pleitnota van de ontvanger, van welke gelegenheid belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De ontvanger is in de gelegenheid gesteld hier schriftelijk op te reageren, van welke gelegenheid hij eveneens gebruik heeft gemaakt. Met instemming van partijen heeft het hof daarna het onderzoek middels een schriftelijke mededeling gesloten.
2.Feiten
2.1.
[B.V. 1] is op 23 maart 2006 opgericht. [B.V. 2] bezat toen 100% van de aandelen in [B.V. 1] . [B.V. 1] had als enige activiteit het ontwikkelen van een vastgoedproject aan de [straat] te [plaats 2] .
2.2.
[B.V. 1] heeft op 1 april 2008 twee panden aan de [straat] (de onroerende zaken) aangekocht en is daartoe een hypothecaire geldlening aangegaan bij de [bank] voor een bedrag van € 4.750.000.
2.3.
Na aankoop van de panden wijzigde de gemeente het bestemmingsplan. Hierdoor kon het beoogde project niet ontwikkeld worden met als gevolg een waardevermindering van de onroerende zaken. De toenmalige bestuurder van [B.V. 1] heeft in 2013 op het project een verwacht verlies berekend van € 1.807.133.
2.4.
[B.V. 1] loste na deze wijziging niet meer af op de aan haar verstrekte financiering. [belanghebbende 1] ( [belanghebbende 1] ) was op dat moment al betrokken bij het project, omdat hij een rol vervulde bij andere deelnemingen van het [concern] , waartoe [B.V. 1] behoorde. De [bank] is bereid geweest het krediet voort te zetten, als het belang in [B.V. 1] volledig overging naar [belanghebbende 2] B.V. ( [belanghebbende 2] ).
2.5.
Op 28 april 2014 zijn de aandelen in [B.V. 1] voor € 1 gekocht door [belanghebbende 2] . [belanghebbende 2] is tevens benoemd tot bestuurder van [B.V. 1] . [belanghebbende 1] bezit 100% van de aandelen in [belanghebbende 2] en is de bestuurder van deze vennootschap.
2.6.
[B.V. 2] had een lening verstrekt van € 1.575.930 aan [B.V. 1] . De vordering is in het kader van de aandelenverkoop op 23 april 2014 aan [belanghebbende 2] gecedeerd voor een bedrag van € 1.
2.7.
Op 12 mei 2014 hebben [belanghebbende 2] en [B.V. 1] een overeenkomst van geldlening gesloten. Door de overeenkomst van geldlening is een rekening-courantverhouding ontstaan van maximaal € 1.760.000. De vordering van [belanghebbende 2] op [B.V. 1] van € 1.575.930 maakte hier onderdeel van uit. Partijen zijn overeengekomen dat voor het bedrag van € 1.760.000 door [B.V. 1] zekerheid zal worden geboden door [belanghebbende 2] een hypotheekrecht te geven.
2.8.
[B.V. 1] vestigde tot zekerheid van de voldoening van haar vordering op 6 maart 2015 het recht van tweede hypotheek op de onroerende zaken ten behoeve van [belanghebbende 2] voor een totaalbedrag van € 1.760.000 (hierna: de tweede hypotheek).
2.9.
[belanghebbende 2] heeft een beheervergoeding van € 157.500 per jaar in rekening gebracht bij [B.V. 1] voor de werkzaamheden van [belanghebbende 1] op basis van een uurtarief van € 150, conform het uurtarief dat hij aan derden in rekening brengt.
2.10.
Op 23 december 2015 heeft [B.V. 1] de onroerende zaken aan een derde verkocht voor een bedrag van € 5.947.780, te vermeerderen met € 1.249.033 omzetbelasting. De totale verkoopsom bedroeg derhalve € 7.196.813. De [bank] heeft als eerste hypotheekhouder € 5.600.000 ontvangen (hoofdsom van € 4.750.000 plus € 850.000 opgebouwde rente en kosten). [belanghebbende 2] heeft als tweede hypotheekhouder € 1.248.712 ontvangen. Een bedrag van € 347.572 is overgeboekt naar een Escrow-rekening waarop een pandrecht van [belanghebbende 2] rustte, gevestigd op 23 december 2015.
2.11.
Na de verkoop resteerde een schuld van [B.V. 1] aan [belanghebbende 2] van € 406.317. Voor dat bedrag heeft [B.V. 1] op 23 december 2015 de (potentiële) vordering op de gemeente Amsterdam in verband met geleden planschade aan [belanghebbende 2] gecedeerd. Dit werd verrekend met het openstaande bedrag onder de leningsovereenkomst.
2.12.
Eind december 2015 heeft [belanghebbende 2] een bedrag van € 650.000 aan dividend uitgekeerd aan [belanghebbende 1] en hem tevens een lening verstrekt van € 304.278.
2.13.
[B.V. 1] heeft op 12 januari 2016 aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2015 gedaan. De vanwege de verkoop verschuldigde omzetbelasting van € 1.249.033 is niet voldaan. Op 25 februari 2016 is daarom een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag).
2.14.
Op 4 februari 2016 heeft [belanghebbende 1] als indirect bestuurder van [B.V. 1] een rechtsgeldige melding betalingsonmacht bij de ontvanger gedaan.
2.15.
Op 17 maart 2016 heeft de ontvanger een aanmaning verzonden aan belanghebbende, gevolgd door een dwangbevel op 5 april 2016.
2.16.
Bij beschikking van 27 januari 2017 heeft de ontvanger uitstel van betaling verleend voor een periode tot 1 augustus 2017 en bij beschikking van 9 juli 2018 is uitstel verleend voor een periode tot 1 december 2018.
2.17.
Op 21 november 2019 heeft de ontvanger [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] aansprakelijk gesteld voor de onbetaalde omzetbelastingschuld van [B.V. 1] over het vierde kwartaal 2015 voor een bedrag van € 1.171.668. Dit is opgebouwd uit het op de naheffingsaanslag verschuldigde bedrag van € 1.249.982 minus de daarin begrepen boete van € 5.278 en minus een bedrag van € 73.036 dat de ontvanger als reeds betaald of verrekend heeft aangemerkt.
2.18.
[B.V. 1] heeft een procedure gevoerd tegen de gemeente Amsterdam. Vanwege de wijziging van het bestemmingsplan meende [B.V. 1] recht te hebben op een vergoeding voor planschade. De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 13 maart 2019 echter een uitspraak gedaan waarin geen vergoeding voor planschade aan [B.V. 1] is toegekend.
2.19.
[B.V. 1] heeft op 30 december 2022 de gemeente Amsterdam en het door deze ingehuurde adviesbureau aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 650.000 met als onderbouwing dat het rapport van het adviesbureau ondeugdelijk zou zijn geweest. Dit volgt volgens [B.V. 1] uit een contra-expertise door een ander adviesbureau. Aan deze aansprakelijkstelling is tot op heden geen nadere opvolging gegeven.
2.20.
Belanghebbende heeft op 30 november 2019 bezwaar gemaakt tegen de aansprakelijkstelling. In dit bezwaarschrift staat onder meer:
‘Er is door [B.V. 1] veel contact geweest met de Ontvanger van de Belastingdienst. De procedure tegen de gemeente is afgerond. Cliënt onderzoekt of zij op andere wijze haar schade vergoed kan krijgen. [B.V. 1] is nog steeds gericht op het vergoed krijgen van haar schade. De geraamde schadevergoeding bedraagt € 1.561.024,00. Hiermee zou de omzetbelastingschuld kunnen worden voldaan.’
2.21.
In een e-mailbericht van de advocaat van belanghebbende verzonden op 18 december 2020, gericht aan de ontvanger, staat onder meer:
‘Uit de planschadeberekeningen volgt dat er voldoende financiële middelen
aanwezig zouden moeten zijn om de btw te voldoen. […] Zelfs als wordt uitgegaan van de laagste planschade-uitkomst, namelijk die van 2012, kan de btw-schuld na voldoening van alle andere lasten worden voldaan.’
2.22.
In een aanvulling op het bezwaarschrift dat belanghebbende op 25 maart 2020 aan de ontvanger heeft toegestuurd, staat onder meer:
‘5.4 Hierna reageren cliënten op dit standpunt van de Ontvanger. Daarbij moet het [belanghebbende 1] van het hart dat hij het gebruik van de door de Ontvanger gehanteerde terminologie ('constructie') als ongepast ervaart, omdat nu juist in de afgelopen jaren verschillende inspanningen zijn geleverd om [B.V. 1] in leven te houden en namens [B.V. 1] acties in gang te zetten met het doel om de btw-schuld van [B.V. 1] te betalen.’
2.23.
De door belanghebbenden ingediende bezwaarschriften tegen de beschikkingen zijn op 2 april 2021 door de ontvanger ongegrond verklaard.
2.24.
In de het beroepschrift in eerste aanleg van 8 juni 2021 staat onder meer:
‘Belanghebbenden vinden dat zij ten onrechte worden weggezet alsof het hen erom te doen was om de fiscus te benadelen. Daarmee geeft de Ontvanger een geheel eigen en verkeerde duiding aan de gang van zaken. Het niet betalen van btw is nooit de insteek geweest van [belanghebbende 1] . Hij heeft alle aandelen in [B.V. 1] , de daarbij horende risico's en de vordering op [B.V. 1] overgenomen juist met de bedoeling en verwachting om daar een positieve en winstgevende draai aan te geven. Voor zover nodig, wijzen belanghebbenden erop dat zij de afgelopen jaren zelf de kosten hebben betaald van [B.V. 1] om te trachten de planschade-aanspraak te effectueren. De planschadeprocedure heeft reeds vele jaren gelopen en [belanghebbende 1] is voornemens om - na zoveel inspanning en kosten - de laatste mogelijkheid (civiele weg) niet onbenut te laten. Op dit moment staat dit traject op een laag pitje vanwege de kosten van de onderhavige procedure. De insteek van belanghebbenden is nog steeds om de btw-schuld te betalen.’
2.25.
De ontvanger heeft belanghebbende op 20 maart 2024 een brief gestuurd om de verjaring van de naheffingsaanslag te stuiten.
3.Geschil en conclusies van partijen
3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de beschikkingen terecht aan belanghebbenden zijn opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de volgende deelvragen:
Is de onderliggende belastingschuld inmiddels verjaard?
Is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur door belanghebbenden?
3.2.
Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de beschikkingen. De ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4.Gronden
Vooraf
4.0.
Wanneer hieronder wordt gesproken over de indirecte bestuurder, doelt het hof op [belanghebbende 1] , die als bestuurder kwalificeert op grond van artikel 36, vijfde lid, aanhef en letter c, van de Invorderingswet 1990.
Ten aanzien van het geschil
i. Verjaring belastingschuld
4.1.1.
Belanghebbenden stellen dat de Ontvanger de verjaringstermijn van de belastingschuld laatstelijk heeft gestuit middels het dwangbevel van 5 april 2016, waardoor de belastingschuld in beginsel is verjaard per 5 april 2021. Belanghebbenden stellen verder dat deze termijn slechts is verlengd met de duur van de twee termijnen van uitstel van betaling, zijnde ongeveer 11 maanden (zie 2.16). De vordering van de ontvanger is daarmee volgens belanghebbenden uiterlijk per maart 2022 verjaard. De stuitingsbrief van de ontvanger van 20 maart 2024 is daarmee te laat geweest. Belanghebbenden betwisten dat zij namens [B.V. 1] de belastingschuld hebben erkend. De uitlatingen genoemd onder 2.20, 2.21, 2.22 en 2.24 geven slechts aan dat [B.V. 1] gedurende meerdere jaren heeft geprobeerd om de belastingschuld te voldoen, maar zijn geen erkenning van de schuld op het moment van die uitlatingen.
4.1.2.
De ontvanger stelt dat namens [B.V. 1] over het tweede kwartaal van 2019 een aangifte omzetbelasting is gedaan die heeft geresulteerd in een teruggaaf van € 385. De ontvanger stelt dat dit bedrag op 2 augustus 2019 is verrekend met de openstaande naheffingsaanslag omzetbelasting van [B.V. 1] . Volgens de ontvanger kwalificeert deze feitelijke verrekening als een stuitingshandeling waardoor op 2 augustus 2019 een nieuwe termijn van vijf jaar is gaan lopen. De verjaringstermijn zou daarmee volgens de ontvanger pas op 2 augustus 2024 eindigen, waarmee zijn brief van 20 maart 2024 op tijd was om de verjaring nog langer te stuiten. Daarnaast stelt de ontvanger dat [B.V. 1] op meerdere momenten in 2019, 2020 en 2021 de belastingschuld heeft erkend, verwijzend naar de passages opgenomen onder 2.20, 2.21, 2.22 en 2.24. De daarin opgenomen uitlatingen zijn immers gedaan door belanghebbenden, die (indirect) bestuurder van [B.V. 1] zijn. Daarmee is de verjaring volgens de ontvanger op die momenten eveneens gestuit, zodat de belastingschuld niet is verjaard.
4.1.3.
Artikel 4:105 vanPro de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) bepaalt:
‘1. De verjaring wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.
2. Erkenning van het recht op betaling stuit de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent.’
4.1.4.
Artikel 4:105 vanPro de Awb heeft de regering tijdens de parlementaire behandeling van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht als volgt toegelicht [1] :
‘Voor de erkenning als grond voor stuiting geldt dat het niet noodzakelijk is dat de schuld uitdrukkelijk wordt erkend. Elke handeling of gedraging van de schuldenaar waaruit blijkt dat hij de schuld erkent, stuit de verjaring. Indien een burger in een brief aan het bestuursorgaan een verrekeningsvoorstel doet, dan beoogt hij daarmee de schuld aan het bestuursorgaan, al dan niet volledig, te voldoen. Daarin ligt tegelijkertijd een erkenning van zijn schuld aan dat bestuursorgaan besloten. Zo kan ook het vragen van uitstel van betaling of van kwijtschelding onder omstandigheden een erkenning van de schuld impliceren. Dat is echter niet steeds het geval: wie vraagt om uitstel van betaling voor de duur van de behandeling van een bezwaarschrift tegen de betalingsbeschikking, erkent daarmee de schuld natuurlijk niet. Het zal dus van de omstandigheden van het geval afhangen, wanneer van erkenning kan worden gesproken.’
4.1.5.
Het hof is van oordeel dat [B.V. 1] de belastingschuld in 2019, 2020 en 2021 heeft erkend. Belanghebbenden waren immers niet alleen degenen die aansprakelijk zijn gesteld, maar waren tegelijk (indirect) bestuurder van [B.V. 1] . De uitlatingen in de passages opgenomen onder 2.20, 2.21, 2.22 en 2.24 houden dus in dat zij, en daarmee ook [B.V. 1] zelf, op die momenten op de hoogte waren van de belastingschuld en deze belastingschuld erkende. Niet alleen werd het bestaan van de belastingschuld in die uitlatingen erkend; er werd ook aangegeven dat [B.V. 1] de belastingschuld nog steeds wilde betalen. Dit komt naar oordeel van het hof het duidelijkst naar voren in hetgeen is weergegeven in 2.23 en 2.25, met name in de passages: ‘ …verschillende inspanningen zijn geleverd om [B.V. 1] in leven te houden en namens [B.V. 1] acties in gang te zetten met het doel om de btw-schuld van [B.V. 1] te betalen.’ en ‘ De insteek van belanghebbenden is nog steeds om de btw-schuld te betalen.’.
4.1.6.
Het hof oordeelt op grond van het vorenstaande dat de belastingschuld niet is verjaard, waarmee het hof de eerste deelvraag ontkennend beantwoordt. De overige stellingen van partijen op dit punt behoeven daarmee geen behandeling meer.
ii. Onbehoorlijk bestuur
4.2.1.
Belanghebbenden stellen dat de ontvanger niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Zij stellen dat ten tijde van het passeren van de akte van de tweede hypotheek allerminst vaststond dat de fiscus zou worden benadeeld. Belanghebbenden stellen verder dat de uitkering van het dividend en het verstrekken van de lening aan [belanghebbende 1] door [belanghebbende 2] ultimo 2015 niet relevant is.
4.2.2.
De ontvanger stelt dat de tweede hypotheek onverplicht én zonder enige noodzaak door [B.V. 1] is gegeven. Daarnaast stelt de ontvanger dat het belanghebbenden duidelijk geweest moet zijn dat de tweede hypotheek de fiscus zou benadelen. Verder stelt de ontvanger dat de dividenduitkering en het verstrekken van de lening aan [belanghebbende 1] door [belanghebbende 2] bij de beoordeling van kennelijk onbehoorlijk bestuur wel relevant zijn. [belanghebbende 1] is, als indirecte bestuurder van [B.V. 1] , persoonlijk verrijkt door het uitkeren van het dividend én het verstrekken van de lening. De ontvanger stelt dat [belanghebbende 2] dit dividend niet kon uitkeren en de lening verstrekken als zij geen gelden had ontvangen uit hoofde van de tweede hypotheek.
4.2.3.
Het hof is van oordeel dat het door [B.V. 1] verstrekken van de tweede hypotheek getuigt van kennelijk onbehoorlijk bestuur door [belanghebbende 2] en, indirect, door [belanghebbende 1] . De overeenkomst waarin partijen een tweede hypotheek hebben afgesproken, betreft een rekening-courantverhouding van € 1.760.000, maar daarvan was € 1.575.930 al eerder door [B.V. 1] als lening ontvangen. De overeenkomst gaf [B.V. 1] dus slechts een extra kredietruimte van € 200.000 (welke ruimte vervolgens overigens kennelijk niet of nauwelijks is gebruikt). Dit rechtvaardigt niet dat voor een bedrag van € 1.760.000 zekerheid is gegeven in de vorm van een tweede hypotheek. Dat belanghebbenden stellen dat de hypotheek werd gegeven omdat zij risico liepen, maakt vorenstaande conclusie niet anders. Van belang is juist dat niet valt in te zien welk voordeel [B.V. 1] heeft verkregen, althans meende te kunnen verkrijgen, dat in redelijkheid de vestiging van het hypotheekrecht kon rechtvaardigen. Temeer omdat het voorzienbare resultaat van het vestigen van dat hypotheekrecht was dat de kort tevoren voor € 1 verkregen vordering van haar aandeelhouder en bestuurder [belanghebbende 2] aanzienlijk in waarde zou toenemen en dat daartegenover de verhaalspositie van andere (toekomstige) schuldeisers, waaronder die met preferente vorderingen, aanzienlijk zou verslechteren. Als bestuurder en indirect bestuurder van [B.V. 1] konden belanghebbenden dus niet in redelijkheid besluiten om de tweede hypotheek te geven.
4.2.4.
Uit de stellingen van belanghebbenden volgt dat zij erkennen dat de belasting als gevolg van de tweede hypotheek niet is betaald, aangezien slechts de wetenschap van de benadeling van de ontvanger door belanghebbende wordt betwist. De wet vereist echter niet dat het voor belanghebbende op het moment van onbehoorlijk bestuur kenbaar moest zijn dat de ontvanger daardoor zou worden benadeeld, maar slechts dat het onbehoorlijk bestuur zelf kennelijk is. [2]
4.2.5.
Nu belanghebbenden als bestuurders van [B.V. 1] niet in redelijkheid konden besluiten om een tweede hypotheek te geven en de belasting als gevolg van die tweede hypotheek niet is betaald, is het hof van oordeel dat belanghebbenden aansprakelijk zijn voor die belastingschuld op grond van artikel 36 vanPro de Invorderingswet 1990. Het hof beantwoordt de tweede deelvraag op grond van het vorenstaande dus bevestigend. De overige stellingen van partijen op dit punt behoeven daarmee geen behandeling meer.
Tussenconclusie
4.3.
Het hoger beroep is ongegrond.
Ten aanzien van het griffierecht
4.4.
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.5.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 AlgemenePro wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door E.P.A Brakeboer, voorzitter, W.J. Blokland en B.G. van Zadelhoff, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, de voorzitter,
A.S. van Middelkoop E.P.A. Brakeboer
De uitspraak is alleen door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Voetnoten
1.Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 55.
2.Artikel 36, derde lid, van de Invorderingswet 1990