ECLI:NL:GHSHE:2026:462

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
24/1254
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.11 lid 1 Wet IB 2001Art. 8.1 lid 1 sub e Wet IB 2001Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op arbeidskorting voor pensioeninkomsten uit vroegere arbeid

Belanghebbende, geboren in 1948, ontving in 2021 pensioenuitkeringen van het ABP en een AOW-uitkering. Hij had in zijn aangifte de pensioenuitkeringen opgegeven als inkomsten uit tegenwoordige arbeid en vroeg arbeidskorting aan. De inspecteur kwalificeerde deze pensioeninkomsten als inkomsten uit vroegere arbeid, waardoor de arbeidskorting verviel.

De rechtbank oordeelde dat de belastingrente deels moest worden verminderd, maar handhaafde de aanslag. Belanghebbende ging in hoger beroep tegen het oordeel dat pensioeninkomsten niet als loon uit tegenwoordige arbeid kunnen worden aangemerkt.

Het hof verwijst naar eerdere jurisprudentie van het hof en de Hoge Raad waarin is vastgesteld dat pensioenuitkeringen uit vroegere dienstbetrekking geen recht op arbeidskorting geven. Het standpunt van belanghebbende dat pensioenuitkeringen uitgesteld loon zijn en daarom recht geven op arbeidskorting, wordt verworpen.

Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Ook de belastingrente is correct berekend. Het griffierecht wordt niet vergoed en er worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat pensioeninkomsten uit vroegere arbeid geen recht geven op arbeidskorting.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1254
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 16 juli 2024, nummer BRE 23/9069 in het geding tussen belanghebbende en
Belastingdienst PDB Den Haag,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende de aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IV/PVV) voor het jaar 2021 opgelegd van € 1.983. Tevens is bij beschikking € 35 belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
Belanghebbende heeft tegen de aanslag en de beschikking bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft als volgt beslist:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voor zover deze betrekking heeft op de belastingrentebeschikking;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de belastingrentebeschikking;
- vernietigt de belastingrentebeschikking en bepaalt het bedrag aan te betalen belastingrente op € 31;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond.”
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het hof heeft bepaald dat een zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2. Feiten
2.1.
Belanghebbende is geboren in 1948. Hij heeft vanaf 1966 pensioenrechten opgebouwd in het kader van zijn dienstbetrekking bij het ministerie van Defensie. Nadat belanghebbende functioneel leeftijdsontslag kreeg, is de pensioenopbouw blijven doorlopen tot aan de ingangsdatum van zijn pensioen.
2.2.
Belanghebbende heeft in 2021 een uitkering van de Stichting Pensioenfonds ABP (het ABP) ontvangen van € 41.921. Tevens ontving belanghebbende in 2021 een AOW-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank van € 11.245.
2.3.
In de aangifte IB/PVV voor 2021 heeft belanghebbende de inkomsten die hij verkreeg van het ABP vermeld onder de rubriek “Loon, uitkering ZW en andere inkomsten uit tegenwoordige db”.
2.4.
De voorlopige aanslag IB/PVV 2021 met dagtekening 5 augustus 2022 is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. Daarbij is een arbeidskorting toegepast van € 1.983 en dit leidde tot een teruggaaf van € 921 aan belasting met vergoeding van € 6 aan belastingrente.
2.5.
De inspecteur is bij de aanslagregeling afgeweken van de aangifte IB/PVV 2021. Hij heeft het inkomen van het ABP aangemerkt als inkomsten uit vroegere arbeid. De arbeidskorting is hierdoor komen te vervallen en dit leidde tot een te betalen belastingbedrag € 1.983 met berekening van € 35 aan belastingrente.
2.6.
De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.7.
De rechtbank heeft de aanslag gehandhaafd en de belastingrente verminderd tot € 31.

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de pensioeninkomsten van het ABP als inkomsten uit vroegere dienstbetrekking moeten worden aangemerkt waarvoor geen recht op de arbeidskorting geldt. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. De inspecteur vindt het tegenovergestelde.
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag conform de aangifte en tot evenredige vermindering van de belastingrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
4.1.
De arbeidskorting geldt op grond van artikel 8.11, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB) voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet. Arbeidsinkomen wordt, voor zover van belang, ingevolge artikel 8.1, lid 1, sub e, Wet IB gedefinieerd als het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige uit tegenwoordige arbeid is genoten.
4.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de pensioeninkomsten van het ABP uitgesteld loon vormen. Dit uitgestelde loon dient te worden aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, waardoor recht ontstaat op arbeidskorting, aldus belanghebbende. Over de pensioenpremies is volgens belanghebbende al belasting betaald tijdens de opbouwfase, waardoor het pensioen bij uitbetaling onbelast zou moeten zijn.
4.3.
De rechtbank heeft voor de behandeling van de gronden van belanghebbende ter zake van het geschil over de arbeidskorting verwezen naar de IB/PVV-procedure van belanghebbende over het jaar 2016 waarin identieke geschilpunten aan de orde waren. De rechtbank heeft voor de motivering van haar uitspraak terecht verwezen naar de uitspraak van het hof van 14 mei 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1569, en het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:291, in die procedure. Het hof maakt deze motivering tot de zijne. Wat belanghebbende in hoger beroep aanvoert brengt het hof niet tot een ander oordeel.
4.4.
Ter zake van de grief van belanghebbende over de zorgvuldigheid van de inspecteur, door de rechtbank opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel, is het hof van oordeel dat de rechtbank in de rechtsoverwegingen 4.3. en 4.4 in haar uitspraak op goede gronden een juiste beslissing beeft genomen. Het hof onderschrijft de gronden en de beslissing en maakt ze tot de zijne.
4.5.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft belanghebbende geen recht op de arbeidskorting.
4.6.
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de uiteindelijk in rekening gebrachte belastingrente van € 31. Dat die belastingrente in strijd met de wet in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Tussenconclusie
4.7.
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.8.
Het hof ziet geen aanleiding om het in hoger beroep betaalde griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.9.
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door A. van Dongen, voorzitter, T.A. de Hek en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van L. van den Bogerd, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026
Deze uitspraak is in het digitale dossier geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift verzonden per aangetekende post.
De griffier, De voorzitter,
L. van den Bogerd A. van Dongen
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten