ECLI:NL:GHSHE:2026:408

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
20-002825-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 38 lid 1 GeneesmiddelenwetArt. 404 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis medeplegen opzettelijke overtreding Opiumwet en Geneesmiddelenwet

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 oktober 2024. De rechtbank had verdachte veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet en opzettelijke overtreding van een voorschrift van artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet. De straf bestond uit 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het hof verklaarde het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk voor zover dit gericht was tegen de partiële vrijspraak met betrekking tot een afzonderlijk drugspakket, omdat hoger beroep tegen een vrijspraak niet openstaat volgens artikel 404, eerste lid, Sv. Voor het overige bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank integraal, met een nadere motivering en aanvulling van het bewijsmateriaal.

Het bewijs omvatte onder meer het proces-verbaal van een getuigenverhoor waarin werd verklaard dat op 19 december 2022 een man een pakket afleverde met een afzendadres uit Made. De verdediging had primair vrijspraak gevorderd en subsidiair een strafverminderend verweer gevoerd, maar het hof ging hierin niet mee. Het vonnis werd op 17 februari 2026 uitgesproken door een meervoudige kamer van het hof.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de veroordeling van verdachte tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

Parketnummer : 20-002825-24
Uitspraak : 17 februari 2026
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 oktober 2024, in de strafzaak met parketnummer 02-196357-23 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 1) en ‘opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet’ (feit 2), de verdachte deswege strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hoger beroep van de verdachte is blijkens de akte instellen hoger beroep onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de partiële vrijspraak van het medeplegen van opzettelijk uitvoeren, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van ‘pakket 2’, inhoudende 1.927,80 gram van een materiaal bevattende MDMA.
Het hof stelt vast dat ten aanzien van feit 1 sprake is van een impliciet cumulatieve tenlastelegging, zodat de hiervoor genoemde partiële vrijspraak als beschermde vrijspraak dient te gelden. De verdachte wordt immers verweten dat hij op verschillende data, te weten 19 en 20 december 2022, twee afzonderlijke pakketten bevattende drugs heeft uitgevoerd, verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd.
Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep, voor zover dit tegen voormelde partiële vrijspraak is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, met aanvulling van de gronden waarop dit berust.
Aanvulling bewijsmiddelen
Het hof verenigt zich met de door de rechtbank in het vonnis waarvan beroep gebezigde bewijsmiddelen, met aanvulling van het hiernavolgende bewijsmiddel ten aanzien van feit 1:
Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 21 december 2022, dossierpagina’s 43-44, voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :
Sinds ongeveer l jaar komt er een man hier zijn pakketjes afleveren.
Op 19 december 2022 kwam de desbetreffende man een pakketje inleveren. Op dit pakket stond een afzend adres uit Made.

BESLISSING

Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. J.J. Peters, voorzitter,
mr. S.V. Pelsser en mr. M.C.C. van de Schepop, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Burgmeijer, griffier,
en op 17 februari 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.